‘De eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking is onrechtmatig’

Westerse tegenwerking van Iran’s kernenergieprogramma bedreigt non-proliferatieregime

19 augustus 2013 – Henk van der Keur

 

Het kernenergieprogramma van Iran bestaat zestig jaar. Shaj Mohammed Reza Pahlavi, die in 1953 door een Amerikaanse staatsgreep in het zadel wordt gezet, start het programma op. Hij plant ruim twintig kernreactoren en fabrieken voor het verrijken van uranium en voor de opwerking van gebruikte kernbrandstof. Uiteindelijk blijft het bij een door de Amerikanen geleverde onderzoeksreactor in Teheran en een half met Duitse steun afgebouwde kerncentrale bij Bushehr. Na de islamitische revolutie in 1979 verbreken de Amerikanen alle banden met Teheran. En daar blijft het niet bij. De VS doen er alles aan om internationale nucleaire samenwerking en handel met Iran te frustreren. Het heeft het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) ontmoedigt Iran te assisteren bij het inrichten van proeffabrieken voor de fabricage van kernbrandstof en – als Iran in reactie daarop een bilaterale samenwerking begint met China voor de ontwikkeling van zijn brandstofcyclus – vervolgens China onder druk gezet zijn samenwerking met Iran stop te zetten. Als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag (NPV) heeft Iran recht op assistentie van het IAEA en samenwerking met China. Toch vinden de Amerikanen dat het Iran onder de mullahs geen recht heeft op kernenergie. Dat is hun goed recht, maar niet dat zij het internationaal recht naar hun hand zetten door wereldwijd diplomatieke druk uit te oefenen om de opbouw van civiele nucleaire infrastructuur in Iran te dwarsbomen.   

 

Ondertekenaars van het NPV verplichten zich te onthouden van de ontwikkeling van kernwapens en zijn onderworpen aan de waarborgen van het IAEA, waaronder verplichte inspecties van kerninstallaties. Tegelijkertijd geeft het NPV leden de garantie dat ze onvoorwaardelijk toegang krijgt tot alle nucleaire technologie die nodig is voor de ontwikkeling van een civiel kernenergieprogramma. Probleem met deze constructie is, en dat is de grootste zwakte van het huidige NPV,  dat – behalve de technologie die nodig is voor de assemblage van een kernwapen – er geen enkel verschil bestaat tussen de civiele kernketen en de militaire kernketen. De meest proliferatiegevoelige onderdelen van de kernketen zijn uraniumverrijking en opwerking van gebruikte kernbrandstof. Hierin ligt besloten dat in principe ieder land dat een verrijkingsfabriek of/en een opwerkingsfabriek bezit de schijn van verdenking op zich kan laden het bezit van kernwapens na te streven. Dat geldt dus zeker niet alleen voor Iran, maar ook voor een hele reeks andere landen, waaronder Brazilië, Duitsland, Japan, en Nederland. Dat blijkt uit ervaringen met andere NPV-leden in het verleden, zoals met Zuid-Afrika en Irak, en vrij recent met Noord-Korea. Na beëindiging van hun lidmaatschap gingen deze landen over tot het productie van kernwapens. Zuid-Afrika (1979) en Noord-Korea (2006) slaagden er in om kernwapens te verwerven en het had weinig gescheeld of Irak (1991) had ze ook daadwerkelijk kunnen produceren. Israel speelde onder toeziend oog van de CIA een vitale rol bij de ontwikkeling van de kernwapens van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime.

 

Sinds 1992 wordt Iran door Israel en de VS er voortdurend van beschuldigd  dat het op het punt staat kernwapens te verwerven. Er zijn bronnen die melden dat Iran mogelijk een korte periode aan het begin van dit millennium aan de ontwikkeling van kernwapens zou hebben gewerkt. Maar alle deskundigen zijn het erover eens dat er geen tekenen zijn dat Iran aan kernwapens werkt. In ieder geval niet sinds 2003. Toch spelen de vermoedens dat dit zo zou zijn een voorname factor in het Westerse sanctieregime tegen dat land. Al sinds Jimmy Carter voeren alle Amerikaanse presidenten een containmentpolitiek tegen Iran. En na 1992 loopt dat langzamerhand over in een sanctiepolitiek. Als Mohammed Khatami in 1997 verrassend winnaar wordt van de presidentsverkiezingen, verbiedt president Bill Clinton handel te drijven met Iran en te investeren in dat land. Daardoor versterkt hij de Iraanse hardliners die zich verzetten tegen een detente met de VS en heeft hij belangrijk bijgedragen aan het mislukken van Khatami’s agenda voor economische verbeteringen en politieke veranderingen die nodig zijn om het leven van het Iraanse volk te verbeteren. Onder president Barak Obama herhaalt die geschiedenis zich. Enkele dagen voordat Hassan Rouhani werd beëdigd als president van Iran, nam het Huis van Afgevaardigden een wet aan die de sancties tegen Iran op de uitvoer van zijn olie verder versterken. Het pakket maatregelen komt bovenop een hele reeks zeer vergaande sancties tegen Iran, waaronder strenge financiële sancties.   

 

Een groep landen binnen de Europese Unie ziet met het aantreden van Mohammed Khatami kansen om de betrekkingen met Teheran te verbeteren. Duitsland wil opnieuw nucleaire samenwerking beginnen met Iran in ruil voor hun ondertekening en implementatie van het Aanvullend Protocol waarin Iran vrijwillig toestemt in intensievere IAEA-inspecties. Het zou Siemens de mogelijkheid geven om hun project bij Bushehr te voltooien. De reactor werd in de Irak-Iran oorlog door Irak met door Frankrijk geleverde raketten vernietigd. Iran had na de oorlog een Russisch bedrijf gecontracteerd om de reactor af te bouwen, maar was ontevreden over het werk van de Russen. In zes jaar tijd was er nauwelijks vooruitgang geboekt. Clinton blijft echter faliekant tegen de levering van Europese kerntechnologie aan Iran. Uiteindelijk strandt de deal met Iran, doordat Joschka Fischer, die in 1998 de nieuwe buitenlandminister van Duitsland wordt, veel minder positief is over een deal dan zijn voorganger Klaus Kinkel. Iran laat de voltooiing van Bushehr over aan de Russen. De eerste kerncentrale van Iran levert sinds september 2011 stroom.

 

In oktober 2003 erkent Teheran dat het tussen 1988 en 1992 clandestiene experimenten heeft uitgevoerd, waaronder het verrijken van uranium en het scheiden van plutonium, en heeft verzuimd het IAEA daarvan op de hoogte te stellen. Als lid van het NPV is Iran daartoe verplicht. Deze fout komt de Iraanse regering slecht uit. Het is juist bezig om Europese landen uit te nodigen om deel te nemen aan investeringen en de bouw van nieuwe kerncentrales in Iran. Twee maanden later ondertekent Iran vrijwillig het Aanvullend Protocol, waartoe de Verenigde Staten, samen met het IAEA en de VN-Veiligheidsraad, hadden opgeroepen. Maar in februari 2006, als het IAEA het dossier in handen geeft van de VN-Veiligheidsraad, stopt Teheran met het naleven van de maatregel. Teheran verklaart dat het zal overwegen de uitvoering van het Aanvullend Protocol te hervatten als zijn nucleaire dossier wordt terugverwezen naar het IAEA. Iran stelt dat het agentschap de “enige bevoegde autoriteit” is die verantwoordelijk is voor de verificatie van nucleaire waarborgen en dat de Veiligheidsraad zich mengt in werk van het IAEA door de nucleaire kwestie te politiseren. En daar heeft het inderdaad alle schijn van. In 2005 oordeelt het agentschap dat Iran zijn waarborgovereenkomsten met het IAEA niet naleeft. Als Teheran in 2008 alle onderbouwde en rechtmatige zorgen van het IAEA heeft uitgelegd of gecorrigeerd, zoals door het agentschap is bevestigd, werpt het IAEA andere zorgen op over mogelijke militaire dimensies van zijn kernprogramma op basis van buitenlandse inlichtingen. Maar die vallen buiten de wettelijke bevoegdheid van het agentschap, omdat ze duidelijk geen betrekking hebben op het onttrekken van nucleair materiaal voor gebruik in kernwapens. Deze resterende onopgeloste kwesties zijn gebaseerd op ongefundeerde aantijgingen van Westerse inlichtingendiensten en zijn gerelateerd aan nogal dunne beschuldigingen van mogelijke werkzaamheden in Iran meer dan tien jaar geleden. Die trend maakt duidelijk hoezeer het agentschap steeds verder afgedwaald is van haar oorspronkelijke mandaat. Het behoort een apolitieke, technische en onpartijdige controlerende instantie te zijn, en moet niet gezien worden als een politiek bevooroordeelde organisatie of een uitbreiding van westerse inlichtingendiensten. Associated Press meldt dat 80% van ‘het bewijs’ tegen Iran afkomstig is van zijn aartsvijand, de Verenigde Staten. Dat heeft te maken met de financiering van het agentschap. Ongeveer 65% van het budget van het IAEA is afkomstig van de VS en hun bondgenoten, die de directie van het IAEA vooral schatplichtig maakt aan politieke druk van Washington. Hervorming van haar financieringsbronnen is een eerste stap om het vertrouwen in het agentschap te herstellen en alle potentiële belangenconflicten te verwijderen. Zolang het grootste deel van de financiering van het IAEA komt van de VS en hun bondgenoten, blijft het agentschap vatbaar voor vooroordelen en gevoelig voor politisering en belangenconflicten.

 

In de tweede helft van Khatami’s ambtstermijn wordt steeds duidelijker dat Iran streeft naar een eigen kerncyclus om minder afhankelijk te zijn van nucleaire samenwerking met het buitenland. In 2003 kondigt hij aan dat Iran is begonnen met uraniummijnbouw nabij de stad Yazd, met de bouw van installaties voor de productie en verwerking van uranium (Estefan), een proeffabriek voor uraniumverrijking (Natanz), en een proeffabriek voor de productie van kernbrandstof. Onder president Mahmoud Ahmadinejad werkt Iran voortvarend verder aan zijn kernenergieprogramma. Ondertussen wordt de internationale druk op Iran onder aanvoering van de VS steeds groter en de wurgende sancties steeds verstikkender voor het Iraanse volk.

 

Volgens de jongste gegevens van het IAEA (mei 2013) beschikt Iran over 8960 kilogram uranium met een verrijkingsgraad van vijf procent, een niveau dat gebruikelijk is voor kerncentrales. In februari 2010 begint Iran uranium te verrijken tot 19,75%. Dat is de bovengrens van laag verrijkt uranium en is de brandstof die in onderzoeksreactoren wordt gebruikt, zoals in Teheran of de Hoge Flux Reactor in Petten. In mei 2012 heeft Iran 325 kg 19,75% verrijkt uranium geproduceerd. Volstrekt normaal voor een land dat werkt aan de opbouw van een civiele nucleaire infrastructuur. Urenco in Almelo begint in de jaren zeventig ook met een proeffabriek en een demonstratiefabriek voor uraniumverrijking, zoals Iran nu heeft bij Natanz en Qom. Dat dit voor een deel ondergronds plaatsvindt is niet zo vreemd. In 1981 bombardeerde het Israëlische leger de Osirak-reactor in Irak, en sinds 1992 wordt Iran door de VS en Israël stelselmatig bedreigd met een militaire aanval op hun geheel legale kerninstallaties.

 

Het Westen eist onder dwang van nieuwe sancties dat Iran onmiddellijk stopt met uraniumverrijking, omdat ze Iran op basis van vage beschuldigingen ervan verdenken hoog verrijkt uranium te willen maken voor de productie van kernwapens. Het volgende mikpunt zal ongetwijfeld de zwaar water reactor in Arak zijn, die zijn voltooiing nadert. Een gewone kernreactor die stroom levert, maar behalve dat ook een ideale reactor voor de winning van plutonium. Dat is inherent aan civiele nucleaire technologie. Het kan ook voor militaire doeleinden worden gebruikt. India, dat overigens het NPV nooit heeft ondertekend, kreeg dit type reactor in 1956 cadeau van de Canadezen en gebruikte het voor de ontwikkeling van kernwapens.

 

Algemeen wordt aangenomen dat het IAEA de toezichthouder is op de naleving van het NPV. Zo stelt de voormalige adviseur van Obama voor non-proliferatie en wapenbeheersing Robert Einhorn in een recent artikel voor Foreign Policy dat Iran niet moet worden toegestaan ​​om uranium te verrijken, omdat hij vindt dat Iran de verplichtingen van het NPV niet nakomt. Hij zegt: “Wat niet discutabel is, is dat Iran – althans tijdelijk – enig recht op uraniumverrijking (en opwerking van gebruikte splijtstof) heeft verspeeld totdat het overtuigend kan aantonen dat het in overeenstemming handelt met zijn verplichtingen krachtens het NPV”. In reactie hierop stelt prof.dr. Yousaf Butt in The National Interest dat deze zienswijze berust op een wijdverbreid misverstand. “De toezichthoudende rol van het IAEA is heel specifiek beperkt tot een reeks bilaterale verdragen: de integrale waarborgovereenkomsten (Comprehensive Safeguards Agreements) of CSA-overeenkomsten. Er zijn meer dan 140 van dergelijke bilaterale CSA-overeenkomsten, waarbij het ​​IAEA controleert en verslag uitbrengt van de splijtstofboekhouding in verschillende landen. “ [..] “Simpel gezegd, het is niet de taak van het IAEA om het multilaterale NPV af te dwingen. Het agentschap heeft noch het budget noch de mankracht om dat te doen, zelfs als het dat zou willen,” doceert  de wetenschappelijk adviseur van de Federation of American Scientists. “Zelfs als er een handhavingarm zou zijn, is er in het NPV geen bepaling opgenomen voor het automatisch verbeurd verklaren van een kernbrandstofcyclus.” Waarbij Butt doelt op de eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking. Volgens de kernfysicus ontbeert het argument van Einhorn op beide punten een wettelijke grondslag. Als Einhorn’s interpretatie van het NPV typerend is voor het standpunt van de Amerikaanse beleidsmakers, wat Butt vermoedt, betekent dat volgens hem dat dit misverstand aan de wortel ligt van de impasse in de nucleaire onderhandelingen met Iran. Die impasse kan, zo stelt Butt, alleen worden opgelost als alle partijen in het reine komen over wat het NPV is en wat het niet is. Als er een specifiek probleem  bestaat over de naleving van het NPV door een staat dan is volgens Butt het Internationaal Gerechtshof in Den Haag de aangewezen instantie om daarover te oordelen.

 

Ondanks alle holle en ronkende retoriek over Iran en zijn vermeende kernwapenprogramma, komt dit land volgens onafhankelijk proliferatiedeskundigen al zijn verplichtingen krachtens het NPV en de onafhankelijke CSA-overeenkomsten na. Eén van de meest vooraanstaande experts is dr. Hans Blix, voormalig hoofd van het IAEA, die in maart 2013 in Gulf News verklaart dat “Iran, tot nu toe, niet in strijd heeft gehandeld met het NPV” [..] “en er op dit moment geen bewijs is dat suggereert dat Iran kernwapens produceert”. Mohamed ElBaradei, de Nobelprijswinnaar voor de Vrede en van 1997 tot 2009 directeur van het IAEA, zegt dat hij “geen spoor van bewijs” heeft gezien dat Iran een kernbom nastreeft. “Alles wat ik zie is de hype over de dreiging van Iran.” Het NPV en de CSA-overeenkomsten weerspiegelen de compromissen die zijn gedaan om brede naleving te krijgen van deze overeenkomsten. Een strenger proliferatieregime is zeker gewenst, maar dan moet er gewerkt worden aan het tot stand komen van een sterkere  NPV 2.0 met een krachtigere inspectiearm van het IAEA.

 

Het geklungel van het IAEA in de afhandeling van het dossier Iran schaadt de integriteit van de non-proliferatieregime. Als Iran rechtmatig voelt dat er niets positiefs komt uit het NPV – en bovendien dat de Verenigde Staten daadwerkelijk het NPV tegen hen misbruikt – kan dit in Teheran de roep op terugtrekking uit het NPV verhogen. Als het zo ver mocht komen, neemt Iran ongetwijfeld veel sympathiserende landen mee. De 120 landen van Beweging van Niet-Gebonden landen, die ook wel ‘de echte wereldgemeenschap’ wordt genoemd, zijn het eens met Iran in zijn geschil met het IAEA en de Verenigde Staten. Als serieuze hervormingen bij het agentschap uitblijven, lijkt de voorspelling van Samuel Huntington over de toekomst van de wapenbeheersing, in The Class of Civilizations, elke dag een stap dichterbij te komen: “In het post-Koude Oorlog tijdperk is de primaire doelstelling van wapenbeheersing te voorkomen dat niet-westerse samenlevingen, die westerse belangen zouden kunnen bedreigen, militaire slagkracht ontwikkelen [..] Het Westen propageert non-proliferatie als een universele norm en non-proliferatieverdragen en inspecties als middel voor het realiseren van die norm [..] de aandacht van het Westen richt zich uiteraard op naties die daadwerkelijk of potentieel vijandig staan tegenover het Westen.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *