Westerse inzet van nucleaire onderhandelingen met Iran vereist andere benadering

Amsterdam, 24 oktober 2013 – Henk van der Keur – stichting Laka

De Amerikaanse eis dat Iran zijn activiteiten voor het verrijken van uranium moet beëindigen stamt nog uit het tijdperk van de regering Bush. In de periode 2003-2005 schortte de Iraanse regering geheel vrijwillig haar verrijkingsprogramma op en bood het ook aan om in de toekomst strenge beperkingen op het verrijken van uranium te aanvaarden. Dat aanbod was voor de regering Bush niet voldoende. In plaats daarvan eiste het dat de uraniumverrijking permanent werd stopgezet, waardoor de door Europa geleide onderhandelingen al snel stuk liepen. Zoals bekend heeft de houding van de Amerikanen contraproductief uitgepakt. De huidige verrijkingscapaciteit van Iran is aanzienlijk groter dan wat de Iraanse regering aanvankelijk zelf had voorgesteld in een compromisvoorstel aan het Westen.

Zo lang het Westen erop blijft hameren dat Iran zijn uraniumverrijkingsinstallaties moet sluiten, zal er geen doorbraak komen in de nucleaire onderhandelingen. Het is een illusie te denken dat Iran als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag (NPV) afstand zal doen van zijn onvervreemdbare recht op uraniumverrijking. Bovendien is het, technisch gezien, helemaal niet nodig om zo’n eis – feitelijk een strafmaatregel – te stellen. Er zijn betere manieren om ervoor te zorgen dat Iran op het rechte pad blijft.

De veronderstelling dat Iran zijn verrijkingsfabrieken in het geheim zou gebruiken voor het maken van kernwapens is wijdverbreid. Wat hierbij over het hoofd wordt gezien, is dat deze verrijkingsfabrieken en de andere kerninstallaties van Iran al sinds de dag van hun inwerkingtreding onder toezicht staan van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA). Net als vijf andere landen – Brazilië, Argentinië, Duitsland, Japan en Nederland – die uranium verrijken, maar geen kernwapens hebben, heeft Iran te maken met strenge inspecties van het IAEA die moeten verhinderen dat Iran kernwapens kan ontwikkelen. Ofschoon sceptici in Washington lichtvaardig beweren dat voor Iran andere maatstaven gelden, is het goed te beseffen dat de eerste drie van de vijf vermelde landen ooit kernwapens nastreefden. Bij Brazilië en Argentinië – voorbeelden van na de Tweede Wereldoorlog – had de succesvolle preventie niet de vernietiging van hun kerninstallaties tot gevolg, maar werd er gekozen voor betere opties. Eenzelfde benadering moet ook worden gekozen voor Iran.

De vraag of IAEA-inspecties volstaan is een legitieme vraag, maar betreft een zorg die beheersbaar is. In het debat over de snelheid waarmee Iran hoog verrijkt uranium kan maken, het kan omzetten in weapons-grade componenten, en in een wapen kan plaatsen dat het kernexplosief draagt, wordt er automatisch van uitgegaan dat Iran de niet-nucleaire onderdelen van het wapen al heeft gemaakt, in elkaar gezet, en getest. Maar geen van deze drie onderdelen in die aanname zijn juist. Ook wordt ten onrechte aangenomen dat de waarborgingsprocedures van het IAEA niet voldoende zijn afgestemd op nader (‘real time’) toezicht als er praktijken plaatsvinden die reden geven tot zorg. Het waarborgingsregime kan wel degelijk worden aangepast. Zo heeft het IAEA bijvoorbeeld speciale maatregelen ingesteld bij de opwerkingsfabriek Rokkasho in Japan om zeker te stellen dat het plutonium dat geproduceerd wordt niet wordt aangewend voor militair gebruik. Soortgelijke maatregelen kunnen ook worden genomen bij de verrijkingsfabrieken in Iran. Er is geen enkele reden waarom Iran een andere behandeling zou verdienen dan de andere vijf niet-kernwapenstaten die uranium verrijken.

Dit artikel is ook verschenen op de opiniepagina (“het laatste woord”) van het Parool van donderdag 24 oktober 2013 onder de titel “Iran is zeker nog geen kernmacht.”

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *