Verarmd uranium en het Golfoorlogsyndroom

Henk van der Keur | stichting Laka | 20 december 2015

Dat in oorlogstijd de waarheid als eerste sneuvelt weten we sinds mensenheugenis. Wat telt is de versie van de oorlogsplanners die ons door embedded oorlogscorrespondenten wordt ingeprent. Nieuw bij de Golfoorlog van 1991 was dat voor het eerst een oorlog live in de huiskamer werd gebracht. Ik herinner me de televisiebeelden van de Amerikaanse nieuwszender CNN op de kabel, een hype bij het thuisfront.

We werden permanent bestookt met ‘precisiebombardementen’ die de kijkers moesten overtuigen dat dit een ‘schone oorlog’ was. Alsof er helemaal geen burgers in Irak bestonden en er alleen militaire doelen waren. De kijkers hadden geen flauw benul van de werkelijke situatie in Irak. Toen op 17 januari het luchtoffensief tegen Irak begon, hadden de Irakezen al bijna een half jaar zwaar te lijden onder het zeer strikte VN-embargo dat begin augustus 1990 van kracht werd toen het Iraakse leger Koeweit binnenviel. Officieel waren voedsel en medicijnen uitgesloten van de economische sancties, maar in de praktijk was er vrijwel geen aanvoer meer van deze basale behoeften.

Stervende kinderen

Een jaar na de Golfoorlog kon ik met eigen ogen aanschouwen wat deze oorlog had aangericht en wat de gevolgen waren van de aanhoudende economische boycot. Op een bijeenkomst van vredesorganisaties in De Balie in Amsterdam werd besloten een delegatie naar Irak te sturen in aanwezigheid van een arts en een aantal ingenieurs. Redenen voor dat besluit was het grote zwijgen van de media over het hoge aantal burgerdoden en een rapport van het medisch team van Harvard dat een onthutsend beeld schetste van de situatie in Irak, kort na de oorlog. Een groot deel van de civiele infrastructuur was vernietigd, waaronder levensmiddelenfabrieken en voorzieningen voor drinkwater. Het team trof tienduizenden stervende kinderen aan als gevolg van epidemieën die waren ontstaan door een groot gebrek aan schoon water. Onder normale omstandigheden waren deze infectieziekten eenvoudig te behandelen, maar door gebrek aan elementaire voorzieningen, waaronder medicijnen, konden die niet worden genezen. Een jaar later, vlak voor de lente van 1992, wilde onze fact-finding missie poolshoogte nemen van de toestand in Irak. Mijn opdracht was om te pogen grondmonsters te nemen nabij de restanten van het gebombardeerde kerncomplex Al Tuwaitha, circa 30 kilometer van Bagdad. Daarvoor kreeg ik echter geen toestemming van de Iraakse autoriteiten.

Mijn bezoek aan Irak was een harde confrontatie met de werkelijkheid. De ziekenhuizen waren nog altijd overvol en er was nog steeds een groot gebrek aan basale levensbehoeften. Het sterftecijfer bij kinderen onder de vijf jaar bleef onverminderd hoog. De aanvoer van bijvoorbeeld bouwmaterialen of onderdelen voor reparatie van waterzuiveringsinstallaties lag nog altijd stil, waardoor wederopbouw uitbleef. Feitelijk werd de oorlog tegen de burgerbevolking voortgezet met sancties. Wat ook opviel was dat het aantal gevallen van kanker snel toenam.

Radioactieve munitie

Dat er veel meer aan de hand was in Irak bleek al direct bij aankomst waarbij onze delegatie in de lobby van het hotel de Duitse arts Dr. Siegwart-Horst Günther tegen het lijf liep. Hij had restanten van munitie gevonden die radioactief bleken te zijn. Niet veel later leerde ik dat ze afkomstig zijn van 30 mm antitankgranaten van het A-10 grondaanvalstoestel. Die schieten met een mix van ‘high explosive’ patronen en ‘DU penetrators’. Dat laatste type antitankgranaat bestaat uit een kern van massief uraniummetaal. Het betreft een afvalproduct van de uraniumverrijkingsindustrie, ‘depleted uranium (DU)’ ofwel verarmd uranium. Voor zover bekend werden ze tijdens Operatie Desert Storm voor het eerst gebruikt. Het zware metaal heeft een opmerkelijk lage verbrandingstemperatuur. Na inslag op een hard doel verbrandt en verpulvert de munitiekern tot zeer fijne stofdeeltjes die zich tot ver in de omgeving kunnen verspreiden. Via de longen, slokdarm of open wonden kunnen de stofdeeltjes het lichaam binnendringen. Iraakse artsen leggen een verband tussen de uraniumbesmettingen en de opkomst van doorgaans zeldzame vormen van kanker na de Golfoorlog. Aanvankelijk trof het vooral jonge kinderen. Later – medio jaren negentig – spraken Dr. Jawad Al-Ali, hoofd van het Oncologisch Centrum in Basra, en andere oncologen van een kankerepidemie in Irak. Met daaronder veel gevallen die aan twee of drie soorten kankers tegelijk leden. Een verschijnsel dat onder normale omstandigheden zelden voorkomt. De kankerclusters waren ontstaan in gebieden waar veel gebruik is gemaakt van uraniumhoudende antitankgranaten.

Siegwart-Horst Günther

De arts Dr. Siegwart-Horst Günther overlegt ons foto’s van gevonden restanten DU-munitie en aantekeningen van waargenomen aandoeningen bij kinderen die er mee speelden Bagdad, 26 februari 1991 / foto Henk van der Keur

Gevaren bekend

Juist voor de Iraakse invasie van Koeweit verscheen een rapport van het Amerikaanse leger over het strategische belang van de uraniumhoudende antitankgranaten. In een bijlage wordt door adviseurs gewezen op de potentiële gezondheidsrisico’s van het militair gebruik van verarmd uranium. De auteurs wezen vooral op de gevaren bij de verwijdering van de restanten en besmet legermaterieel in post-conflictgebieden.

Al direct na de Golfoorlog werden ook bij Golfoorlogveteranen ziekten vastgesteld, zowel acuut als chronisch, met zeer uiteenlopende symptomen, die gebundeld werden onder noemer Golfoorlogziekten of het Golfoorlogsyndroom. Het Pentagon weet die ziekten aan vaccinaties, slagveldstress, en aan de gevolgen van bombardementen: sarin en rook van oliebranden. Later voegden de Balkanveteranen zich daarbij met Balkansyndroom (Bosnië ‘94/’95 en Kosovo ’99) met vergelijkbare symptomen. Zij hebben echter niet blootgestaan aan rook, experimentele vaccins en sarin, maar wel aan verarmd uranium en andere chemische stoffen. Ondanks de snel groeiende hoeveelheid wetenschappelijk bewijsmateriaal over de schadelijke effecten van DU, blijven maatregelen uit. Dat komt doordat er nog steeds grote strategische waarde wordt toegekend aan deze wapensystemen. Alle kernmachten beschikken over DU arsenalen. Zelfs in Duitsland – één van de weinige grote landen die ze niet bezitten – gaan binnen het leger stemmen op om ze aan te schaffen. In de Koude Oorlog waren de DU-antitankgranaten bestemd voor een mogelijke tankoorlog tussen de NAVO en het Warschaupact. Nu zouden ze gebruikt kunnen worden als het conflict in Oost-Oekraïne weer oplaait in een tankoorlog tussen de NAVO en Rusland of bij de oorlog in Syrië door de A-10.

Vier jaar na de Golfoorlog verbood de Amerikaanse regering het testen van de uraniumgranaten in de open lucht. De testgebieden zijn zwaar vervuild. Op de Jefferson Proving Ground is een gebied dat bezaaid ligt met restanten van verarmd uranium, maar er liggen ook blindgangers. De Amerikaanse atoomwaakhond NRC is vorig jaar akkoord gegaan met het voorstel van het leger om het terrein niet te saneren omdat het veel te gevaarlijk en heel erg duur is. Omwonenden maken zich ernstig zorgen over uitbreiding van de besmetting via het grondwater.

Dit artikel verscheen in een dossier van VD Amok in het VredesMagazine (december 2015)

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *