Tag Archives: Iran

Uraniumverrijking Iran versus Frankrijk

ingezonden brief NRC Handelsblad n.a.v. “Iraanse onderhandelaar spreekt opeens Engels – deal moet rond” [Caroline de Gruyter NRC 16 juni]

Henk van der Keur, stichting Laka | 17 juni 2014

Uw correspondent in Wenen meldt dat de Franse minister Fabius vindt dat Iran genoegen moet nemen met honderden en niet met duizenden ultracentrifuges. Dat zou betekenen dat Iran de uraniumverrijkingscapaciteit van hun proef- en een demonstratiefabriek bij Natanz en Qom moet gaan terugschroeven. De huidige capaciteit is vergelijkbaar met die van de eerste verrijkingsfabrieken van Urenco in Almelo, begin jaren zeventig. Er bestaan geen internationale wetten die Iran verplichten om aan de eis van het Westen te voldoen. Ondanks alle retoriek in de media komt Iran sinds 2003 al haar non-proliferatieverplichtingen na.

De mededeling van Fabius is interessant vanwege de belangen van Iran in de Franse kernindustrie. Na de islamitische revolutie in 1979 verwierven de mullahs tien procent van de aandelen in het Europese nucleaire consortium Eurodif. Door deze erfenis van de sjah werden ze mede-eigenaar van de Franse verrijkingsfabriek George Besse. De nieuwe ultracentrifugefabriek George Besse II – voltooid in 2016 – had eind 2012 al een verrijkingscapaciteit die drieduizend keer hoger was dan de totale huidige verrijkingscapaciteit van Iran. Evenals de andere kernwapenstaten – en tevens splijtstofproducenten – is Frankrijk bezig haar kernwapenarsenaal te moderniseren. Daarmee handelt het in strijd met het non-proliferatieverdrag (NPV).

De correspondent meldt abusievelijk dat Iran heeft ingestemd om de verrijking te reduceren tot 20 procent. Het betreft een reductie van 19,75 procent naar vijf procent.

De immer voortdurende atoomdreiging uit Iran ..

.. Is een door het Westen geconstrueerde crisis die niets heeft te maken met de werkelijkheid.

Henk van der Keur | 11 mei 2014

Ondanks de al maanden durende besprekingen in Genève over het kernenergieprogramma van Iran, zijn de Westerse mainstream media nauwelijks tot meer inzichten gekomen over de werkelijke status van het Iraanse kernenergieprogramma. Zo lees ik vandaag in het NRC Handelsblad: “Iran heeft met zes wereldmachten afspraken gemaakt over het afbouwen van de voorraad uranium dat kan worden aangewend voor een kernwapen.” Er wordt hier gesuggereerd dat Iran over een voorraad weapons grade uranium beschikt, maar enig onderzoek leert dat dit volstrekt niet het geval is. Al decennialang weten alle betrokken Westerse overheden dat Iran heel ver verwijderd is van een kernbom en toch houdt de stroom aan verdachtmakingen tegen dat land maar aan. Het is een ideale bliksemafleider voor de praktijken van de erkende kernwapenstaten die niet in overeenstemming zijn met het vigerende non-proliferatieregime. Iets waarover de Westerse mainstream media ons uitdrukkelijk niet ïnformeert.

Iran beschikt niet over hoog verrijkt uranium dat noodzakelijk is voor een efficiënte kernbom. Net als andere leden van het non-proliferatieverdrag (NPV) beschikt het wel over een hoeveelheid 19,75% uranium – de bovengrens van laag verrijkt uranium – dat algemeen als kernbrandstof dient voor onderzoeksreactoren. Voor bijvoorbeeld de productie van medische isotopen. Iran beschikt over een voorraad van ten hoogste 240 kg 19,75% verrijkt uranium, dat is een hoeveelheid die 48 kg uranium-235 bevat. In theorie is die hoeveelheid voldoende voor bijna twee kernwapens. Maar de angst van het Westen – met het grootste nucleaire vernietigingspotentieel van de wereld – dat Iran dat zou aanwenden voor kernwapens is verre van reëel. Meer dan de andere landen die de verdragen tegen kernproliferatie hebben ondertekend, staat Iran onder streng toezicht van het IAEA. Ook weer iets wat vrijwel nooit wordt vermeld in de berichtgeving over het kernenergieprogramma van Iran. Erger, niet zelden wordt het kernenergieprogramma van Iran aangeduid als ‘kernwapenprogramma’, ofschoon Israél het enige land in het Midden-Oosten is dat kernwapens bezit.

Er is geen enkel bewijs dat Iran een nucleair gevaar vormt. Het is een door het Westen verzonnen dreiging die heel ver verwijderd is van de werkelijkheid. Lees bijvoorbeeld het recente interview met de onderzoeksjournalist Gareth Porter in Harper’s Magazine. Hij is de auteur van Manufactured Crisis: The Untold Story of the Iran Nuclear Scare.

Gareth Porter. Photograph by Mike Chiaverina

Gareth Porter

Nucleaire top in Den Haag

Nucleaire top lost helemaal niets op

Henk van der Keur | stichting Laka | 25 februari 2014

Als we de mainstream media moeten geloven is de nucleaire topconferentie die op 24 en 25 maart in Den Haag wordt gehouden een belangrijke stap op weg naar het verstevigen van de internationale veiligheid. Op papier is die veronderstelling juist, maar het stemt niet overeen met de werkelijkheid. Ons wordt voorgehouden dat er gewerkt wordt aan striktere regelgeving om verspreiding van civiel nucleair materiaal, dat ook kan worden gebruikt voor het maken van kernwapens, tegen te gaan. Zo moet worden voorkomen dat landen als Iran of terroristische organisaties, zoals Al-Qaida, kernwapens kunnen maken. In werkelijkheid vormt Iran geen bedreiging en wordt door het zelfzuchtige beleid van de grootmachten de mogelijkheid van een terroristische kernaanval eerder vergroot dan verkleind.

Al decennialang worden we door de media bestookt met de meest bizarre beweringen over nucleaire dreigingen in de wereld. Iran – dat al decennialang bijna over een kernwapen beschikt – is daar een exemplarisch voorbeeld van. De afgelopen jaren wordt vooral de uraniumverrijkingscapaciteit van dat land in de media sterk uitvergroot.  Hele volksstammen denken daardoor zeker te weten dat dit land een groot nucleair gevaar is door het enorme potentieel aan uraniumverrijking dat dit land zou hebben opgebouwd. Ze beseffen niet dat het in werkelijkheid gaat om slechts twee piepkleine verrijkingsfabrieken en dat Iran zeker één jaar nodig heeft om net zoveel laag verrijkt uranium te produceren wat het Europese consortium Urenco in vijf uur kan produceren (stanford.edu). Iran komt sinds 2003 al zijn verplichtingen krachtens de vigerende non-proliferatieverdragen na. Feitelijk is er geen enkele reden waarom Iran medewerking zou moeten verlenen aan de onderhandelingen met de vijf grootmachten (VS, VK, Frankrijk, China en Rusland) plus Duitsland. Het is een absurd toneelstuk, die de aandacht moet afleiden van de werkelijke bedoelingen van deze landen. In werkelijkheid zijn zij het die de non-proliferatieverdragen ondermijnen.

Het was Bill Clinton die dit tijdperk van deze ondermijning van de verdragen inluidde door de kernproeven van India de facto te erkennen en de deur voor nucleaire handel met dat land op een kier zette. In 2008 legaliseerde president Bush India tot een erkende kernwapenstaat door een verdrag met dat land te tekenen voor nucleaire handel waarbij ook de levering van technologie voor uraniumverrijking en opwerking van gebruikte splijtstof werd toegezegd. Ook Frankrijk en Rusland hebben India deze technologie, waarmee ook kernwapens kunnen worden gemaakt, toegezegd.

Formeel hebben de Verenigde Staten non-proliferatie hoog in het vaandel staan, maar als het gaat om handelsbelangen of geopolitieke belangen wordt de regelgeving wat minder strikt (‘flexibele’ nucleaire handel). Het nodigt China uit om nucleaire handel te drijven met Pakistan, de aartsvijand van India. Waanzin ten top! En de waanzin reikt nog verder: dankzij de Westerse kernwapenstaten en Rusland wordt India straks lid van de Nuclear Suppliers Group. Zo transformeert deze organisatie die kernwapenproliferatie moet bestrijden in een organisatie die de verspreiding van nucleair materiaal juist aanmoedigt. Wereldwijd overeengekomen nucleaire verdragen worden te grabbel gegooid voor de korte termijn winsten en belangen van een klein groepje machthebbers. Daar wordt de wereld niet veiliger van.

Dit artikel verscheen op zaterdag 1 maart in Het Parool

De voortdurende obsessie van het NRC Handelsblad met de ‘bom’ van Iran

Henk van der Keur | stichting Laka | 14 december 2013

Bijna zestig niet-kernwapenstaten zetten ooit een eerste stap naar het maken van een kernwapen, waaronder Zweden en Zwitserland. Volgens Amerikaanse inlichtingendiensten zette mogelijk ook Iran deze eerste stap in de periode voor 2003. Toch is er geen enkel ander land waarbij zo uitgebreid is – en nog steeds wordt – gespeculeerd over een (vermeend) kernwapenprogramma als Iran. Natuurlijk is er niets mis mee om af en toe te speculeren. Ook dat hoort thuis binnen het journalistieke métier, maar in het geval van Iran worden de grenzen ver overschreden. Er komt geen einde aan. Ook NRC Handelsblad blijft er lustig op los speculeren (‘Gooi een atoombom op Iran’, 9 dec.). Van een krant als het NRC Handelsblad verwacht ik dat ze zich wat meer toeleggen op de feiten. En daarover valt met betrekking tot bijvoorbeeld Israël voldoende te melden. Zoals de feiten die recent door de onthullingen van William Burr en Avner Cohen aan het licht zijn gekomen over hoe Israël begin jaren zestig uranium uit Argentinië verwierf voor de ontwikkeling van kernwapens. Of bijvoorbeeld een achtergrondverhaal over de actieve rol die Israël heeft gespeeld bij de ontwikkeling van kernwapens door het apartheidsregime in Zuid-Afrika. En wat te denken over wat nader onderzoek naar de nauwe betrokkenheid van Israël bij de ontwikkeling van kernwapens door de sjah van Perzië? Dit, naar aanleiding van de uitspraken die gedaan worden in de recente Israëlische documentaire “Before the Revolution“. Een verhaal daarover zou niet misstaan in de lange reeks van ongegronde speculaties over het huidige kernprogramma van de Islamitische Republiek in het NRC Handelsblad. Soms lijkt het wel dat er ondanks de censuur in de Israëlische media daar meer over de kernwapens van Israël wordt bericht dan hier in de Nederlandse media door de zelfcensuur van Nederlandse journalisten.

dit weblog | this weblog

over dit weblog | about this weblog

‘Splijtstof’ is nucleair materiaal dat kan worden gebruikt in kernbrandstof of kan worden gescheiden van gebruikte kernbrandstof. Dezelfde materialen kunnen ook worden verwerkt voor gebruik in kernwapens. Met andere woorden: kernenergie is meer dan een energiebron. Civiele kerntechnologie en kernbrandstof kunnen ook aangewend worden voor het maken van kernwapens. Uraniumverrijkingstechnologie kan worden gebruikt voor de productie van hoog verrijkt uranium en splijtbaar plutonium kan worden gewonnen uit gebruikte kernbrandstof. Zowel hoog verrijkt uranium (U-235) als plutonium (Pu-239) zijn splijtstoffen die gebruikt worden in kernwapens. Zolang kernenergie blijft bestaan, zolang zal proliferatie van kernwapentechnologie en splijtstoffen blijven plaatsvinden. Propagandisten van kernenergie op basis van thorium beweren dat deze vorm van energieopwekking niet gevoelig is voor kernwapenproliferatie. Dat is een misvatting. De thoriumbrandstofketen maakt gebruik van uranium-233 (U-233), een splijtstof die net zo splijtbaar is als plutonium-239 (Pu-239).

Dit weblog informeert de lezer over de verspreiding van civiele kerntechnologie en splijtstoffen. Naast kernproliferatie en het internationale nucleaire non-proliferatie beleid, besteedt dit blog ook aandacht aan kernwapens, de kosten van kernenergie / kernwapens, kernafval, verarmd uranium,  geheimhouding, de kernindustrie, ontmanteling van kerninstallaties, de voortdurende kernramp in Fukushima en de gevolgen daarvan, en aan de verschuivende geopolitieke verhoudingen in de wereld.

Landen met een robuust kernenergieprogramma hebben alle middelen in hun bezit om deze aan te wenden voor militaire doeleinden. Dat geldt met name voor de vijf ‘erkende kernwapenstaten’, die niet toevallig ook de permanente leden zijn van de VN-Veiligheidsraad: de Verenigde Staten, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China. De VS en andere Westerse landen presenteren zichzelf graag als de pleitbezorgers voor het uitbannen van massavernietigingswapens. Maar de geschiedenis wijst heel anders uit.

Zo leveren alle ‘erkende kernwapenstaten’ civiele kerntechnologie en splijtstoffen aan India of Pakistan. Deze ‘niet erkende’ kernwapenstaten zijn geen ondertekenaars van het non-proliferatieverdrag (NPV) en het verdrag voor een verbod op kernproeven (CTBT) en zijn bovendien aartsvijanden van elkaar. Het vigerende non-proliferatieregime moet dus wijken voor de handelsbelangen en de strategische belangen van de grootmachten. Tegelijkertijd misgunt het Westen Iran een kernenergieprogramma, terwijl het daar als ondertekenaar van het NPV recht op heeft. In de Westerse (Nederlandse) media wordt Iran steevast verdacht van het ontwikkelen van kernwapens. Deze onjuiste en misleidende berichten maken deel uit van een mediacampagne tegen Iran, kennelijk met de bedoeling om de aandacht af te leiden van het kernwapenprogramma van Israël, waarover juist zeer summier wordt bericht. Het gevaar van kernproliferatie is zeker aanwezig bij een land als Iran, maar dat risico is niet groter dan bij een hele reeks andere landen. De omvang van het Iraanse kernenergieprogramma wordt in de Westerse media schromelijk overdreven. In de afgelopen jaren is vooral het uraniumverrijkingsprogramma het mikpunt. In werkelijkheid heeft Iran een relatief klein kernenergieprogramma. Het valt natuurlijk nooit uit te sluiten dat Iran in de toekomst kernwapens gaat maken, maar vooralsnog is er geen enkele aanleiding om dat te veronderstellen.

Het lijkt erop dat het non-proliferatiebeleid steeds meer een speeltje wordt van de kernwapenstaten en dat de verdragen en overeenkomsten die gesloten zijn om proliferatie tegen gaan een dode letter worden.  In plaats van te streven naar kernontwapening, doen de ‘erkende kernwapenstaten’ precies het tegenovergestelde. Ze moderniseren hun eigen kernwapenarsenalen en lappen het internationaal recht aan hun laars door kernwapenproliferatiegevoelige technologie en materialen te exporteren naar landen als India en Pakistan. Dit blog besteedt ook aandacht aan visies over hoe het tij kan worden gekeerd.

Dit weblog is een aanvulling op de algemene website van de stichting Laka, en de Laka-websites over de geschiedenis van kernenergie in Nederland en de campagne tegen de onderzoeksreactor Pallas.

Naast eigen artikelen plaats ik bijna dagelijks nieuws over kernproliferatie en de andere vermelde thema’s op het terrein van kernenergie en kernwapens dit weblog.

about this weblog

“Splijtstof” is the Dutch word for “fissile material”, which is nuclear material that can be used as nuclear fuel  or separated  from spent nuclear fuel. The same material can be processed for use in nuclear weapons. In other words: nuclear power is more than a source of energy. Civilian nuclear technology and nuclear fuel can also be used for making nuclear weapons. Uranium enrichment technology can be used to produce highly enriched uranium (HEU) and fissile plutonium can be extracted from spent nuclear fuel. Both highly enriched uranium (U-235) and plutonium (Pu-239) are fissile material used in nuclear weapons. As long as nuclear power remains to exist, so long the proliferation of nuclear technology and fissile materials will continue to take place. Proponents of nuclear power based on thorium claim that this form of energy is not sensitive to nuclear proliferation. That is a misconception. The thorium fuel chain uses uranium-233, a fuel that is as fissile as plutonium-239.

This blog informs the reader about the spread of civilian nuclear technology and fissile materials. In addition to nuclear proliferation and international nuclear non-proliferation policy, this blog also focuses on nuclear weapons, the cost of nuclear energy / nuclear weapons, nuclear waste, depleted uranium, secrecy, the nuclear industry, nuclear decommissioning, the ongoing nuclear disaster in Fukushima and its consequences, and the geopolitical shifts in global power.

Countries with a robust nuclear energy program have all the means in their possession to employ them for military purposes. This is particularly true of the five “recognized Nuclear Weapons States” which not coincidentally are also the permanenent members of the UN Security Council: the United States, Russia, the UK, France and China. The U.S. and other Western countries like to present themselves as advocates for the elimination of weapons of mass destruction. But history shows very different.

All “recognized nuclear weapons states” supply civilian nuclear technology and fuel to India or Pakistan. These “not recognized” nuclear states are not signatories of the Nuclear Non-Proliferation Treaty (NPT) and the Comprehensive Test Ban Treaty (CTBT) and are also enemies of each other. So, the current non-proliferation regime has to give way to commercial interests and strategic interests of the major powers. At the same time the West begrudges Iran a nuclear program , while it is there as a signatory of the NPT. In Western media Iran is invariably suspect of developing nuclear weapons. These false and misleading reports are part of a media campaign against Iran, apparently with the intention to distract attention from Israel’s nuclear weapons program, which has virtually no attention in the media. The danger of nuclear proliferation is certainly present in Iran, but the risk is not larger than in a number of other states. The extent of Iran’s nuclear program is grossly exaggerated in the Western media. In recent years, especially the uranium enrichment program is a target. In reality, Iran has a relatively small nuclear power program. It is, of course, never be ruled out that Iran in the future is going to make nuclear weapons, but yet there is no reason to assume that.

It seems that non-nuclear proliferation policy is becoming more and more a toy of the Nuclear Weapon States and that the treaties and agreements, which have been closed to counteract proliferation, become a dead letter. Instead of striving for nuclear disarmament, the “recognized nuclear states” do exactly the opposite. They are modernizing their own nuclear weapon arsenals and act in violation with International Law by exporting nuclear proliferation-sensitive technology and materials to countries like India and Pakistan. This blog will also focus on visions of how the tide can be turned.

This weblog is an addition to the general website of Laka Foundation, and the Laka websites on the history of nuclear energy in the Netherlands and the campaign against the planned research reactor Pallas (mainly in Dutch).

In addition to own articles (currently only in Dutch, however, since 29.03.2015 with English abstracts) on this weblog, I select – almost on a daily basis – also news and reports on nuclear proliferation and the other mentioned nuclear issues on this weblog.

 

‘De eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking is onrechtmatig’

Westerse tegenwerking van Iran’s kernenergieprogramma bedreigt non-proliferatieregime

19 augustus 2013 – Henk van der Keur

 

Het kernenergieprogramma van Iran bestaat zestig jaar. Shaj Mohammed Reza Pahlavi, die in 1953 door een Amerikaanse staatsgreep in het zadel wordt gezet, start het programma op. Hij plant ruim twintig kernreactoren en fabrieken voor het verrijken van uranium en voor de opwerking van gebruikte kernbrandstof. Uiteindelijk blijft het bij een door de Amerikanen geleverde onderzoeksreactor in Teheran en een half met Duitse steun afgebouwde kerncentrale bij Bushehr. Na de islamitische revolutie in 1979 verbreken de Amerikanen alle banden met Teheran. En daar blijft het niet bij. De VS doen er alles aan om internationale nucleaire samenwerking en handel met Iran te frustreren. Het heeft het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) ontmoedigt Iran te assisteren bij het inrichten van proeffabrieken voor de fabricage van kernbrandstof en – als Iran in reactie daarop een bilaterale samenwerking begint met China voor de ontwikkeling van zijn brandstofcyclus – vervolgens China onder druk gezet zijn samenwerking met Iran stop te zetten. Als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag (NPV) heeft Iran recht op assistentie van het IAEA en samenwerking met China. Toch vinden de Amerikanen dat het Iran onder de mullahs geen recht heeft op kernenergie. Dat is hun goed recht, maar niet dat zij het internationaal recht naar hun hand zetten door wereldwijd diplomatieke druk uit te oefenen om de opbouw van civiele nucleaire infrastructuur in Iran te dwarsbomen.   

 

Ondertekenaars van het NPV verplichten zich te onthouden van de ontwikkeling van kernwapens en zijn onderworpen aan de waarborgen van het IAEA, waaronder verplichte inspecties van kerninstallaties. Tegelijkertijd geeft het NPV leden de garantie dat ze onvoorwaardelijk toegang krijgt tot alle nucleaire technologie die nodig is voor de ontwikkeling van een civiel kernenergieprogramma. Probleem met deze constructie is, en dat is de grootste zwakte van het huidige NPV,  dat – behalve de technologie die nodig is voor de assemblage van een kernwapen – er geen enkel verschil bestaat tussen de civiele kernketen en de militaire kernketen. De meest proliferatiegevoelige onderdelen van de kernketen zijn uraniumverrijking en opwerking van gebruikte kernbrandstof. Hierin ligt besloten dat in principe ieder land dat een verrijkingsfabriek of/en een opwerkingsfabriek bezit de schijn van verdenking op zich kan laden het bezit van kernwapens na te streven. Dat geldt dus zeker niet alleen voor Iran, maar ook voor een hele reeks andere landen, waaronder Brazilië, Duitsland, Japan, en Nederland. Dat blijkt uit ervaringen met andere NPV-leden in het verleden, zoals met Zuid-Afrika en Irak, en vrij recent met Noord-Korea. Na beëindiging van hun lidmaatschap gingen deze landen over tot het productie van kernwapens. Zuid-Afrika (1979) en Noord-Korea (2006) slaagden er in om kernwapens te verwerven en het had weinig gescheeld of Irak (1991) had ze ook daadwerkelijk kunnen produceren. Israel speelde onder toeziend oog van de CIA een vitale rol bij de ontwikkeling van de kernwapens van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime.

 

Sinds 1992 wordt Iran door Israel en de VS er voortdurend van beschuldigd  dat het op het punt staat kernwapens te verwerven. Er zijn bronnen die melden dat Iran mogelijk een korte periode aan het begin van dit millennium aan de ontwikkeling van kernwapens zou hebben gewerkt. Maar alle deskundigen zijn het erover eens dat er geen tekenen zijn dat Iran aan kernwapens werkt. In ieder geval niet sinds 2003. Toch spelen de vermoedens dat dit zo zou zijn een voorname factor in het Westerse sanctieregime tegen dat land. Al sinds Jimmy Carter voeren alle Amerikaanse presidenten een containmentpolitiek tegen Iran. En na 1992 loopt dat langzamerhand over in een sanctiepolitiek. Als Mohammed Khatami in 1997 verrassend winnaar wordt van de presidentsverkiezingen, verbiedt president Bill Clinton handel te drijven met Iran en te investeren in dat land. Daardoor versterkt hij de Iraanse hardliners die zich verzetten tegen een detente met de VS en heeft hij belangrijk bijgedragen aan het mislukken van Khatami’s agenda voor economische verbeteringen en politieke veranderingen die nodig zijn om het leven van het Iraanse volk te verbeteren. Onder president Barak Obama herhaalt die geschiedenis zich. Enkele dagen voordat Hassan Rouhani werd beëdigd als president van Iran, nam het Huis van Afgevaardigden een wet aan die de sancties tegen Iran op de uitvoer van zijn olie verder versterken. Het pakket maatregelen komt bovenop een hele reeks zeer vergaande sancties tegen Iran, waaronder strenge financiële sancties.   

 

Een groep landen binnen de Europese Unie ziet met het aantreden van Mohammed Khatami kansen om de betrekkingen met Teheran te verbeteren. Duitsland wil opnieuw nucleaire samenwerking beginnen met Iran in ruil voor hun ondertekening en implementatie van het Aanvullend Protocol waarin Iran vrijwillig toestemt in intensievere IAEA-inspecties. Het zou Siemens de mogelijkheid geven om hun project bij Bushehr te voltooien. De reactor werd in de Irak-Iran oorlog door Irak met door Frankrijk geleverde raketten vernietigd. Iran had na de oorlog een Russisch bedrijf gecontracteerd om de reactor af te bouwen, maar was ontevreden over het werk van de Russen. In zes jaar tijd was er nauwelijks vooruitgang geboekt. Clinton blijft echter faliekant tegen de levering van Europese kerntechnologie aan Iran. Uiteindelijk strandt de deal met Iran, doordat Joschka Fischer, die in 1998 de nieuwe buitenlandminister van Duitsland wordt, veel minder positief is over een deal dan zijn voorganger Klaus Kinkel. Iran laat de voltooiing van Bushehr over aan de Russen. De eerste kerncentrale van Iran levert sinds september 2011 stroom.

 

In oktober 2003 erkent Teheran dat het tussen 1988 en 1992 clandestiene experimenten heeft uitgevoerd, waaronder het verrijken van uranium en het scheiden van plutonium, en heeft verzuimd het IAEA daarvan op de hoogte te stellen. Als lid van het NPV is Iran daartoe verplicht. Deze fout komt de Iraanse regering slecht uit. Het is juist bezig om Europese landen uit te nodigen om deel te nemen aan investeringen en de bouw van nieuwe kerncentrales in Iran. Twee maanden later ondertekent Iran vrijwillig het Aanvullend Protocol, waartoe de Verenigde Staten, samen met het IAEA en de VN-Veiligheidsraad, hadden opgeroepen. Maar in februari 2006, als het IAEA het dossier in handen geeft van de VN-Veiligheidsraad, stopt Teheran met het naleven van de maatregel. Teheran verklaart dat het zal overwegen de uitvoering van het Aanvullend Protocol te hervatten als zijn nucleaire dossier wordt terugverwezen naar het IAEA. Iran stelt dat het agentschap de “enige bevoegde autoriteit” is die verantwoordelijk is voor de verificatie van nucleaire waarborgen en dat de Veiligheidsraad zich mengt in werk van het IAEA door de nucleaire kwestie te politiseren. En daar heeft het inderdaad alle schijn van. In 2005 oordeelt het agentschap dat Iran zijn waarborgovereenkomsten met het IAEA niet naleeft. Als Teheran in 2008 alle onderbouwde en rechtmatige zorgen van het IAEA heeft uitgelegd of gecorrigeerd, zoals door het agentschap is bevestigd, werpt het IAEA andere zorgen op over mogelijke militaire dimensies van zijn kernprogramma op basis van buitenlandse inlichtingen. Maar die vallen buiten de wettelijke bevoegdheid van het agentschap, omdat ze duidelijk geen betrekking hebben op het onttrekken van nucleair materiaal voor gebruik in kernwapens. Deze resterende onopgeloste kwesties zijn gebaseerd op ongefundeerde aantijgingen van Westerse inlichtingendiensten en zijn gerelateerd aan nogal dunne beschuldigingen van mogelijke werkzaamheden in Iran meer dan tien jaar geleden. Die trend maakt duidelijk hoezeer het agentschap steeds verder afgedwaald is van haar oorspronkelijke mandaat. Het behoort een apolitieke, technische en onpartijdige controlerende instantie te zijn, en moet niet gezien worden als een politiek bevooroordeelde organisatie of een uitbreiding van westerse inlichtingendiensten. Associated Press meldt dat 80% van ‘het bewijs’ tegen Iran afkomstig is van zijn aartsvijand, de Verenigde Staten. Dat heeft te maken met de financiering van het agentschap. Ongeveer 65% van het budget van het IAEA is afkomstig van de VS en hun bondgenoten, die de directie van het IAEA vooral schatplichtig maakt aan politieke druk van Washington. Hervorming van haar financieringsbronnen is een eerste stap om het vertrouwen in het agentschap te herstellen en alle potentiële belangenconflicten te verwijderen. Zolang het grootste deel van de financiering van het IAEA komt van de VS en hun bondgenoten, blijft het agentschap vatbaar voor vooroordelen en gevoelig voor politisering en belangenconflicten.

 

In de tweede helft van Khatami’s ambtstermijn wordt steeds duidelijker dat Iran streeft naar een eigen kerncyclus om minder afhankelijk te zijn van nucleaire samenwerking met het buitenland. In 2003 kondigt hij aan dat Iran is begonnen met uraniummijnbouw nabij de stad Yazd, met de bouw van installaties voor de productie en verwerking van uranium (Estefan), een proeffabriek voor uraniumverrijking (Natanz), en een proeffabriek voor de productie van kernbrandstof. Onder president Mahmoud Ahmadinejad werkt Iran voortvarend verder aan zijn kernenergieprogramma. Ondertussen wordt de internationale druk op Iran onder aanvoering van de VS steeds groter en de wurgende sancties steeds verstikkender voor het Iraanse volk.

 

Volgens de jongste gegevens van het IAEA (mei 2013) beschikt Iran over 8960 kilogram uranium met een verrijkingsgraad van vijf procent, een niveau dat gebruikelijk is voor kerncentrales. In februari 2010 begint Iran uranium te verrijken tot 19,75%. Dat is de bovengrens van laag verrijkt uranium en is de brandstof die in onderzoeksreactoren wordt gebruikt, zoals in Teheran of de Hoge Flux Reactor in Petten. In mei 2012 heeft Iran 325 kg 19,75% verrijkt uranium geproduceerd. Volstrekt normaal voor een land dat werkt aan de opbouw van een civiele nucleaire infrastructuur. Urenco in Almelo begint in de jaren zeventig ook met een proeffabriek en een demonstratiefabriek voor uraniumverrijking, zoals Iran nu heeft bij Natanz en Qom. Dat dit voor een deel ondergronds plaatsvindt is niet zo vreemd. In 1981 bombardeerde het Israëlische leger de Osirak-reactor in Irak, en sinds 1992 wordt Iran door de VS en Israël stelselmatig bedreigd met een militaire aanval op hun geheel legale kerninstallaties.

 

Het Westen eist onder dwang van nieuwe sancties dat Iran onmiddellijk stopt met uraniumverrijking, omdat ze Iran op basis van vage beschuldigingen ervan verdenken hoog verrijkt uranium te willen maken voor de productie van kernwapens. Het volgende mikpunt zal ongetwijfeld de zwaar water reactor in Arak zijn, die zijn voltooiing nadert. Een gewone kernreactor die stroom levert, maar behalve dat ook een ideale reactor voor de winning van plutonium. Dat is inherent aan civiele nucleaire technologie. Het kan ook voor militaire doeleinden worden gebruikt. India, dat overigens het NPV nooit heeft ondertekend, kreeg dit type reactor in 1956 cadeau van de Canadezen en gebruikte het voor de ontwikkeling van kernwapens.

 

Algemeen wordt aangenomen dat het IAEA de toezichthouder is op de naleving van het NPV. Zo stelt de voormalige adviseur van Obama voor non-proliferatie en wapenbeheersing Robert Einhorn in een recent artikel voor Foreign Policy dat Iran niet moet worden toegestaan ​​om uranium te verrijken, omdat hij vindt dat Iran de verplichtingen van het NPV niet nakomt. Hij zegt: “Wat niet discutabel is, is dat Iran – althans tijdelijk – enig recht op uraniumverrijking (en opwerking van gebruikte splijtstof) heeft verspeeld totdat het overtuigend kan aantonen dat het in overeenstemming handelt met zijn verplichtingen krachtens het NPV”. In reactie hierop stelt prof.dr. Yousaf Butt in The National Interest dat deze zienswijze berust op een wijdverbreid misverstand. “De toezichthoudende rol van het IAEA is heel specifiek beperkt tot een reeks bilaterale verdragen: de integrale waarborgovereenkomsten (Comprehensive Safeguards Agreements) of CSA-overeenkomsten. Er zijn meer dan 140 van dergelijke bilaterale CSA-overeenkomsten, waarbij het ​​IAEA controleert en verslag uitbrengt van de splijtstofboekhouding in verschillende landen. “ [..] “Simpel gezegd, het is niet de taak van het IAEA om het multilaterale NPV af te dwingen. Het agentschap heeft noch het budget noch de mankracht om dat te doen, zelfs als het dat zou willen,” doceert  de wetenschappelijk adviseur van de Federation of American Scientists. “Zelfs als er een handhavingarm zou zijn, is er in het NPV geen bepaling opgenomen voor het automatisch verbeurd verklaren van een kernbrandstofcyclus.” Waarbij Butt doelt op de eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking. Volgens de kernfysicus ontbeert het argument van Einhorn op beide punten een wettelijke grondslag. Als Einhorn’s interpretatie van het NPV typerend is voor het standpunt van de Amerikaanse beleidsmakers, wat Butt vermoedt, betekent dat volgens hem dat dit misverstand aan de wortel ligt van de impasse in de nucleaire onderhandelingen met Iran. Die impasse kan, zo stelt Butt, alleen worden opgelost als alle partijen in het reine komen over wat het NPV is en wat het niet is. Als er een specifiek probleem  bestaat over de naleving van het NPV door een staat dan is volgens Butt het Internationaal Gerechtshof in Den Haag de aangewezen instantie om daarover te oordelen.

 

Ondanks alle holle en ronkende retoriek over Iran en zijn vermeende kernwapenprogramma, komt dit land volgens onafhankelijk proliferatiedeskundigen al zijn verplichtingen krachtens het NPV en de onafhankelijke CSA-overeenkomsten na. Eén van de meest vooraanstaande experts is dr. Hans Blix, voormalig hoofd van het IAEA, die in maart 2013 in Gulf News verklaart dat “Iran, tot nu toe, niet in strijd heeft gehandeld met het NPV” [..] “en er op dit moment geen bewijs is dat suggereert dat Iran kernwapens produceert”. Mohamed ElBaradei, de Nobelprijswinnaar voor de Vrede en van 1997 tot 2009 directeur van het IAEA, zegt dat hij “geen spoor van bewijs” heeft gezien dat Iran een kernbom nastreeft. “Alles wat ik zie is de hype over de dreiging van Iran.” Het NPV en de CSA-overeenkomsten weerspiegelen de compromissen die zijn gedaan om brede naleving te krijgen van deze overeenkomsten. Een strenger proliferatieregime is zeker gewenst, maar dan moet er gewerkt worden aan het tot stand komen van een sterkere  NPV 2.0 met een krachtigere inspectiearm van het IAEA.

 

Het geklungel van het IAEA in de afhandeling van het dossier Iran schaadt de integriteit van de non-proliferatieregime. Als Iran rechtmatig voelt dat er niets positiefs komt uit het NPV – en bovendien dat de Verenigde Staten daadwerkelijk het NPV tegen hen misbruikt – kan dit in Teheran de roep op terugtrekking uit het NPV verhogen. Als het zo ver mocht komen, neemt Iran ongetwijfeld veel sympathiserende landen mee. De 120 landen van Beweging van Niet-Gebonden landen, die ook wel ‘de echte wereldgemeenschap’ wordt genoemd, zijn het eens met Iran in zijn geschil met het IAEA en de Verenigde Staten. Als serieuze hervormingen bij het agentschap uitblijven, lijkt de voorspelling van Samuel Huntington over de toekomst van de wapenbeheersing, in The Class of Civilizations, elke dag een stap dichterbij te komen: “In het post-Koude Oorlog tijdperk is de primaire doelstelling van wapenbeheersing te voorkomen dat niet-westerse samenlevingen, die westerse belangen zouden kunnen bedreigen, militaire slagkracht ontwikkelen [..] Het Westen propageert non-proliferatie als een universele norm en non-proliferatieverdragen en inspecties als middel voor het realiseren van die norm [..] de aandacht van het Westen richt zich uiteraard op naties die daadwerkelijk of potentieel vijandig staan tegenover het Westen.”

Een nieuw weblog over kernenergie en kernproliferatie

De kennis over kernenergie reikt meestal niet verder dan het bestaan van kerncentrales, kernrampen (Tsjernobyl en Fukushima) en kernafval. Daardoor heeft men vaak geen besef van de andere potentiële gevaren en risico’s die aan kernenergie kleven. Eén van die kwesties is kernproliferatie. Dat wil zeggen verspreiding van civiele kerntechnologie en splijtstoffen die – behalve voor het opwekken van kernenergie – aangewend kunnen worden voor het maken van kernwapens. Om dat laatste te voorkomen moeten landen met een kernenergieprogramma zich schikken in een non-proliferatieregime. Dat regime steunt op het multilaterale non-proliferatieverdrag (NPV) en de bilaterale integrale waarborgovereenkomsten, waarin de controlerende taak van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) is vastgelegd.

Al ruim twintig jaar volg ik de ontwikkelingen op het gebied van kernenergie en kernproliferatie en daarbij valt mij vaak op dat de berichtgeving over deze materie in de mainstream media niet altijd zorgvuldig is. Dat is vooral zichtbaar in de wonderlijke en vaak sterk propagandistisch gekleurde berichtgeving over de civiele kerninstallaties van Iran. Neem bijvoorbeeld dit bericht van de NOS: Iran bezit meer uraniumcentrifuges, dat wereldwijd door het persbureau Reuters is verspreid. Het bericht van de NOS begint met: “Iran heeft 18.000 centrifuges waar uranium mee verrijkt kan worden.” Ik vraag mij af: vanwaar dat aantal van 18.000? Weet u hoeveel ultracentrifuges er staan in de uraniumverrijkingsfabriek van het bedrijf Urenco in Almelo? Waarschijnlijk niet, want het bedrijf maakt daar nooit melding van. Bij een leek wekt het aantal van 18.000 de indruk dat Iran over gigantische fabrieken beschikt voor het verrijken van uranium. Die suggestie wordt in het bericht verder versterkt door de zinnen: “Het was tot nu toe onduidelijk hoeveel uraniumcentrifuges Iran precies bezit en hoeveel er actief zijn. Het aantal van 18.000 machines ligt in ieder geval een stuk hoger dan de eerder genoemde aantallen.” Dan rijst bij mij de vraag: waarom wordt hier niet objectief vastgesteld dat een aantal van 18.000 ultracentrifuges doodnormaal is voor een land dat werkt aan de opbouw van zijn civiele kernenergieprogramma? Nee, die mededeling komt aan het slot van het NOS bericht voor rekening van de Iraanse regering, waardoor het suggestieve karakter van het bericht nog verder wordt versterkt. Vooral, omdat in de zin daarvoor wordt gemeld: “De VS en andere Westerse landen vrezen dat Iran de uraniumcentrifuges gebruikt om kernwapens te ontwikkelen.” Deze zin wordt steevast gemeld in de berichtgeving over het kernenergieprogramma van Iran, waarbij nooit wordt uitgelegd waarop die informatie is gebaseerd. Natuurlijk valt het nooit uit te sluiten dat Iran ooit splijtstof gaat produceren voor kernwapens, maar dat geldt voor ieder land dat een verrijkingsfabriek bezit. Er is op dit moment echter geen enkele aanleiding om aan te nemen dat Iran streeft naar de productie van hoog verrijkt uranium. Meer hierover in mijn onderstaande artikel: ‘De eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking is onrechtmatig’.

In kringen van de kernindustrie spreekt men nooit over aantallen ultracentrifuges, maar over de productiecapaciteit van die ultracentrifuges, en die wordt uitgedrukt in Scheidingsarbeidseenheden (Separative Work Units, afgekort SWU). Volgens het Instituut voor Wetenschap en Internationale Veiligheid (ISIS) in Washington D.C. beschikt Iran eind 2012 over een productiecapaciteit van bijna 9 ton SWU/jaar. Die capaciteit is verdeeld over een proeffabriek bij Natanz en een demonstratiefabriek bij Qom, vergelijkbaar met wat Nederland in de jaren zeventig had aan verrijkingscapaciteit in Almelo. De huidige productiecapaciteit van Urenco in Almelo is ruim 4950 ton SWU/jaar, dus 550 maal hoger dan die van Iran. Net als Nederland heeft Iran als ondertekenaar van het NPV recht op het verrijken van uranium. Maar dat wordt zelden uitgelegd in de mainstream media. De Westerse media en internet staan bol met kolderieke of op zijn best suggestieve verhalen, die lichtjaren verwijderd zijn van de werkelijke situatie.  

Doordat het Westen Iran als vijandig beschouwd, gaat alle aandacht van de Westerse media uit naar Iran, terwijl er uit dat land feitelijk geen nieuws valt te melden. Iran komt al zijn verplichtingen krachtens het NPV na. Sterker, het is volgens het Washington Institute for Near East Policy het enige land in het Midden-Oosten die partij is bij alle non-proliferatie overeenkomsten. Over zaken die wel relevant zijn wordt in alle toonaarden gezwegen. Bijvoorbeeld over de zorgelijke ontwikkelingen rond kernproliferatie in Zuid-Azië, onder aansturing van de Verenigde Staten. Kernmacht India heeft het NPV en het verdrag tegen kernproeven (CTBT) nooit ondertekend en verkeert bovendien in staat van vijandschap met buurland en kernmacht Pakistan. Dat heeft niet kunnen verhinderen dat onder diplomatieke druk van de Verenigde Staten de Nuclear Suppliers Group (NSG) India in 2008 selectieve vrijstelling verleende voor nucleaire samenwerking en de aanschaf van civiele kerntechnologie. Dat baande in datzelfde jaar de weg voor een nucleaire overeenkomst tussen de Verenigde Staten en India

art.bush.singh.afp.gi

en lucratieve nucleaire deals van de VS, Frankrijk en Rusland met India voor de levering van kernreactoren en ander nucleair materieel (zie hierover in mijn onderstaande artikel: Partnerschap India-Japan maakt non-proliferatieverdrag tot een farce). De vrije toegang tot nucleair materieel geeft India de mogelijkheid zijn kernwapenarsenaal te moderniseren. Het cynische hiervan is dat de NSG juist in het leven werd geroepen na de eerste kernproeven van India in 1974 om proliferatie van splijtstoffen en andere benodigdheden voor kernwapens tegen te gaan. Maar sinds George Walker Bush wordt India een “verantwoordelijke” kernmacht genoemd. Als niet-ondertekenaar van het NPV kan India dus rekenen op civiele nucleaire technologie, die Iran – onder druk van de VS – stelselmatig wordt onthouden, terwijl Iran als ondertekenaar van het NPV daar, zoals gemeld, recht op heeft.

Het heeft er alle schijn van dat het vermeende kernwapenprogramma van Iran een voorwendsel is om Iran te kunnen aanvallen. Al geruime tijd circuleren er in Washington plannen om Iran aan te vallen, waarbij zelfs de nucleaire optie niet wordt uitgesloten. Seymour Hersh heeft daarover uitgebreid bericht in The New Yorker. Niet alleen ten tijde van het presidentschap van George W. Bush, maar ook onder het bewind van diens opvolger Barak Obama. Het lijkt erop dat de VS weer controle willen krijgen over de Iraanse olievelden, die ze na de islamitische revolutie van 1979 verloren. Het is niet ondenkbaar dat de huidige Amerikaanse plannen voor een aanval op Syrië passen in een scenario voor een toekomstige aanval op Iran. De vermeende gifgasaanval door de Syrische dictator Bashar al-Assad is een uitgelezen kans om Syrië en Hezbollah, de vrienden van Iran, een gevoelige slag toe te brengen.

De militaire tak van Hezbollah is de enige macht in de regio die voor Israel een bedreiging vormt. De Westerse media hebben al verscheidene malen bericht dat er bewijzen zijn dat Assad achter de mogelijke gifgasaanval zit. Er zijn heel wat opiniemakers en commentatoren die zeggen zeker te weten dat Assad de opdrachtgever is geweest, maar tot op heden heeft niemand ook maar een spoor van bewijs daarvoor kunnen leveren.

In de werkelijke wereld zet niet Iran het non-proliferatieregime onder druk, maar de Verenigde Staten. Dat wordt duidelijk zichtbaar in de manier hoe de VS samen met andere kernwapenstaten bezig is India wit te wassen tot een ‘erkende’ kernwapenstaat. In het kader van nucleaire handelsbelangen moet het huidige non-proliferatieregime wijken. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de VS het NPV tegen Iran misbruikt. In dit geval vanwege geopolitieke en strategische belangen in het Midden-Oosten. Ik vrees dat er niet veel mensen zijn die beseffen wat de rampzalige gevolgen hiervan zijn, die zich momenteel – met betrekking tot India – al beginnen af te tekenen in Zuid-Azië. Voor mij een reden om een weblog te beginnen over kernenergie en kernproliferatie. Ik wil de lezers van dit weblog informeren over de feiten, omdat de mainstream media helaas nalaten dat te doen. 

Het gevaar van kernproliferatie is één van de redenen waarom ik een tegenstander ben van kernenergie. Ik heb veel kritiek op de huidige NPV, omdat dit verdrag eenvoudigweg niet toereikend is om kernproliferatie effectief te bestrijden, maar het is wel het enige multilaterale verdrag dat we hebben op het gebied van kernenergie en kernproliferatie. Als een select gezelschap van kernwapenstaten dit verdrag – dat ze, overigens, zelf niet naleven – naar hun hand zetten, dan is het resultaat daarvan dat de “The Clash of Civilizations” van wijlen Samuel P. Huntington steeds meer werkelijkheid begint te worden. De rake wijsheden die deze Amerikaanse politieke wetenschapper in dit werk debiteert over kernproliferatie lijken zeer van toepassing op de geopolitieke verschuivingen die zich momenteel in de wereld voltrekken.

De stichting Laka levert met zijn websites www.laka.org en www.kernenergieinnederland.nlgedegen informatie en over kernenergie in het algemeen en over de situatie in Nederland en volgt de actuele ontwikkelingen hierover op de voet. Mijn weblog over kernenergie en kernproliferatie is hierop een aanvulling. Laka werkt met een handjevol vrijwilligers die het documentatiecentrum draaiende houden. Als u ons werk wilt steunen kunt u op www.laka.orgonline een bijdrage storten.

Om enig begrip te krijgen van wat het gebruik van civiele kerntechnologie te maken heeft met kernproliferatie, geef ik hieronder een kort overzicht van de civiele kernketen. 

Kernenergie nader verklaard

‘Kernenergie’ is veel meer dan alleen een kerncentrale. Een kerncentrale maakt deel uit van een keten van fysische en chemische processen waarbij een breed scala aan kerntechnologieën aan te pas komt. De kernketen begint met de winning van uranium uit ertsen. Het gewonnen ‘natuurlijk uranium’ wordt bewerkt tot een concentraat (‘yellowcake’) dat vervolgens wordt omgezet in een gasvormige uraniumverbinding (‘hex’) die als grondstof dient voor een uraniumverrijkingsfabriek. In deze fabriek wordt het splijtbare uranium in het ‘natuurlijk uranium’ verrijkt van 0,7% tot 3 à 5% verrijkt uranium (laag verrijkt uranium). Het verrijkte uranium uit de uraniumverrijkingsfabriek wordt weer omgezet in vaste uraniumverbinding, waarna het in een splijtstoffabriek wordt verwerkt tot kernbrandstof voor een kerncentrale. Na gebruik in een kerncentrale wordt de hoogradioactieve gebruikte kernbrandstof (of splijtstofstaven) opgeslagen in een koelbassin bij de kerncentrale. Als de hoog radioactieve verbrande splijtstofstaven voldoende zijn afgekoeld worden ze opgeslagen in een interim-opslagplaats (nergens ter wereld is eindberging gerealiseerd) of gaat het naar een opwerkingsfabriek, waarbij het plutonium wordt gescheiden van het resterende deel van de gebruikte kernbrandstof. Het plutonium kan worden gebruikt voor het maken van een ander soort kernbrandstof (MOX-brandstof).

fuel-cycle_closed

Alle stappen in deze keten gaan gepaard met de productie van radioactief afval. Ook zijn er talrijke kerntransporten nodig om al die verschillende stappen in de kernketen met elkaar te verbinden. De risico’s die dat met zich meebrengt, hangt af van de aard van het materiaal. Dat geldt evenzo voor de fabrieken waar met uraniumverbindingen of andere kernstoffen wordt gewerkt. Kernongevallen trekken al snel de aandacht van de media, maar er is weinig aandacht voor wat er zoal wordt geloosd in het reguliere bedrijf van kerninstallaties. Dat begint al met het afval van de uraniummijnbouw. Zo belandde radioactief afval van uraniummijnen in Niger en Gabon van het Franse AREVA, die dit bedrijf vrijgaf aan het publieke domein, in de bouwmaterialen van woonwijken in die landen. Dit is het afval van de productie van het uranium waarmee de ‘schone’ kerncentrales in de ‘beschaafde’ landen worden gevoed.

Kernenergie is na de Tweede Wereldoorlog ontstaan als bijproduct van de fabricage van kernwapens. Eén van de splijtstoffen die voor kernwapens wordt gebruikt is hoog verrijkt uranium. Meestal betreft dat het splijtbare isotoop uranium-235 met een verrijkingsgraad van boven de 90 procent. Net als bij kernbrandstof vindt deze productie plaats in een verrijkingsfabriek. De militaire kernketen is – op de fabricage van kernwapens na – volkomen identiek met de civiele kernketen. Naast uraniumverrijking behoort opwerking van gebruikte kernbrandstof tot de meest proliferatiegevoelige onderdelen van de kernketen. In een uraniumverrijkingsfabriek, zoals die van Urenco in Almelo, kan ook hoog verrijkt uranium worden gemaakt dat geschikt is voor kernwapens. Evenzo kan het plutonium dat gescheiden wordt in een opwerkingsfabriek worden gebruikt voor kernwapens. Hierin ligt besloten dat in principe ieder land dat een verrijkingsfabriek of/en een opwerkingsfabriek bezit de schijn van verdenking op zich kan laden het bezit van kernwapens na te streven.

Henk van der Keur