Tag Archives: uraniumverrijking

Uraniumverrijking Iran versus Frankrijk

ingezonden brief NRC Handelsblad n.a.v. “Iraanse onderhandelaar spreekt opeens Engels – deal moet rond” [Caroline de Gruyter NRC 16 juni]

Henk van der Keur, stichting Laka | 17 juni 2014

Uw correspondent in Wenen meldt dat de Franse minister Fabius vindt dat Iran genoegen moet nemen met honderden en niet met duizenden ultracentrifuges. Dat zou betekenen dat Iran de uraniumverrijkingscapaciteit van hun proef- en een demonstratiefabriek bij Natanz en Qom moet gaan terugschroeven. De huidige capaciteit is vergelijkbaar met die van de eerste verrijkingsfabrieken van Urenco in Almelo, begin jaren zeventig. Er bestaan geen internationale wetten die Iran verplichten om aan de eis van het Westen te voldoen. Ondanks alle retoriek in de media komt Iran sinds 2003 al haar non-proliferatieverplichtingen na.

De mededeling van Fabius is interessant vanwege de belangen van Iran in de Franse kernindustrie. Na de islamitische revolutie in 1979 verwierven de mullahs tien procent van de aandelen in het Europese nucleaire consortium Eurodif. Door deze erfenis van de sjah werden ze mede-eigenaar van de Franse verrijkingsfabriek George Besse. De nieuwe ultracentrifugefabriek George Besse II – voltooid in 2016 – had eind 2012 al een verrijkingscapaciteit die drieduizend keer hoger was dan de totale huidige verrijkingscapaciteit van Iran. Evenals de andere kernwapenstaten – en tevens splijtstofproducenten – is Frankrijk bezig haar kernwapenarsenaal te moderniseren. Daarmee handelt het in strijd met het non-proliferatieverdrag (NPV).

De correspondent meldt abusievelijk dat Iran heeft ingestemd om de verrijking te reduceren tot 20 procent. Het betreft een reductie van 19,75 procent naar vijf procent.

Nucleaire top in Den Haag

Nucleaire top lost helemaal niets op

Henk van der Keur | stichting Laka | 25 februari 2014

Als we de mainstream media moeten geloven is de nucleaire topconferentie die op 24 en 25 maart in Den Haag wordt gehouden een belangrijke stap op weg naar het verstevigen van de internationale veiligheid. Op papier is die veronderstelling juist, maar het stemt niet overeen met de werkelijkheid. Ons wordt voorgehouden dat er gewerkt wordt aan striktere regelgeving om verspreiding van civiel nucleair materiaal, dat ook kan worden gebruikt voor het maken van kernwapens, tegen te gaan. Zo moet worden voorkomen dat landen als Iran of terroristische organisaties, zoals Al-Qaida, kernwapens kunnen maken. In werkelijkheid vormt Iran geen bedreiging en wordt door het zelfzuchtige beleid van de grootmachten de mogelijkheid van een terroristische kernaanval eerder vergroot dan verkleind.

Al decennialang worden we door de media bestookt met de meest bizarre beweringen over nucleaire dreigingen in de wereld. Iran – dat al decennialang bijna over een kernwapen beschikt – is daar een exemplarisch voorbeeld van. De afgelopen jaren wordt vooral de uraniumverrijkingscapaciteit van dat land in de media sterk uitvergroot.  Hele volksstammen denken daardoor zeker te weten dat dit land een groot nucleair gevaar is door het enorme potentieel aan uraniumverrijking dat dit land zou hebben opgebouwd. Ze beseffen niet dat het in werkelijkheid gaat om slechts twee piepkleine verrijkingsfabrieken en dat Iran zeker één jaar nodig heeft om net zoveel laag verrijkt uranium te produceren wat het Europese consortium Urenco in vijf uur kan produceren (stanford.edu). Iran komt sinds 2003 al zijn verplichtingen krachtens de vigerende non-proliferatieverdragen na. Feitelijk is er geen enkele reden waarom Iran medewerking zou moeten verlenen aan de onderhandelingen met de vijf grootmachten (VS, VK, Frankrijk, China en Rusland) plus Duitsland. Het is een absurd toneelstuk, die de aandacht moet afleiden van de werkelijke bedoelingen van deze landen. In werkelijkheid zijn zij het die de non-proliferatieverdragen ondermijnen.

Het was Bill Clinton die dit tijdperk van deze ondermijning van de verdragen inluidde door de kernproeven van India de facto te erkennen en de deur voor nucleaire handel met dat land op een kier zette. In 2008 legaliseerde president Bush India tot een erkende kernwapenstaat door een verdrag met dat land te tekenen voor nucleaire handel waarbij ook de levering van technologie voor uraniumverrijking en opwerking van gebruikte splijtstof werd toegezegd. Ook Frankrijk en Rusland hebben India deze technologie, waarmee ook kernwapens kunnen worden gemaakt, toegezegd.

Formeel hebben de Verenigde Staten non-proliferatie hoog in het vaandel staan, maar als het gaat om handelsbelangen of geopolitieke belangen wordt de regelgeving wat minder strikt (‘flexibele’ nucleaire handel). Het nodigt China uit om nucleaire handel te drijven met Pakistan, de aartsvijand van India. Waanzin ten top! En de waanzin reikt nog verder: dankzij de Westerse kernwapenstaten en Rusland wordt India straks lid van de Nuclear Suppliers Group. Zo transformeert deze organisatie die kernwapenproliferatie moet bestrijden in een organisatie die de verspreiding van nucleair materiaal juist aanmoedigt. Wereldwijd overeengekomen nucleaire verdragen worden te grabbel gegooid voor de korte termijn winsten en belangen van een klein groepje machthebbers. Daar wordt de wereld niet veiliger van.

Dit artikel verscheen op zaterdag 1 maart in Het Parool

‘De eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking is onrechtmatig’

Westerse tegenwerking van Iran’s kernenergieprogramma bedreigt non-proliferatieregime

19 augustus 2013 – Henk van der Keur

 

Het kernenergieprogramma van Iran bestaat zestig jaar. Shaj Mohammed Reza Pahlavi, die in 1953 door een Amerikaanse staatsgreep in het zadel wordt gezet, start het programma op. Hij plant ruim twintig kernreactoren en fabrieken voor het verrijken van uranium en voor de opwerking van gebruikte kernbrandstof. Uiteindelijk blijft het bij een door de Amerikanen geleverde onderzoeksreactor in Teheran en een half met Duitse steun afgebouwde kerncentrale bij Bushehr. Na de islamitische revolutie in 1979 verbreken de Amerikanen alle banden met Teheran. En daar blijft het niet bij. De VS doen er alles aan om internationale nucleaire samenwerking en handel met Iran te frustreren. Het heeft het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) ontmoedigt Iran te assisteren bij het inrichten van proeffabrieken voor de fabricage van kernbrandstof en – als Iran in reactie daarop een bilaterale samenwerking begint met China voor de ontwikkeling van zijn brandstofcyclus – vervolgens China onder druk gezet zijn samenwerking met Iran stop te zetten. Als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag (NPV) heeft Iran recht op assistentie van het IAEA en samenwerking met China. Toch vinden de Amerikanen dat het Iran onder de mullahs geen recht heeft op kernenergie. Dat is hun goed recht, maar niet dat zij het internationaal recht naar hun hand zetten door wereldwijd diplomatieke druk uit te oefenen om de opbouw van civiele nucleaire infrastructuur in Iran te dwarsbomen.   

 

Ondertekenaars van het NPV verplichten zich te onthouden van de ontwikkeling van kernwapens en zijn onderworpen aan de waarborgen van het IAEA, waaronder verplichte inspecties van kerninstallaties. Tegelijkertijd geeft het NPV leden de garantie dat ze onvoorwaardelijk toegang krijgt tot alle nucleaire technologie die nodig is voor de ontwikkeling van een civiel kernenergieprogramma. Probleem met deze constructie is, en dat is de grootste zwakte van het huidige NPV,  dat – behalve de technologie die nodig is voor de assemblage van een kernwapen – er geen enkel verschil bestaat tussen de civiele kernketen en de militaire kernketen. De meest proliferatiegevoelige onderdelen van de kernketen zijn uraniumverrijking en opwerking van gebruikte kernbrandstof. Hierin ligt besloten dat in principe ieder land dat een verrijkingsfabriek of/en een opwerkingsfabriek bezit de schijn van verdenking op zich kan laden het bezit van kernwapens na te streven. Dat geldt dus zeker niet alleen voor Iran, maar ook voor een hele reeks andere landen, waaronder Brazilië, Duitsland, Japan, en Nederland. Dat blijkt uit ervaringen met andere NPV-leden in het verleden, zoals met Zuid-Afrika en Irak, en vrij recent met Noord-Korea. Na beëindiging van hun lidmaatschap gingen deze landen over tot het productie van kernwapens. Zuid-Afrika (1979) en Noord-Korea (2006) slaagden er in om kernwapens te verwerven en het had weinig gescheeld of Irak (1991) had ze ook daadwerkelijk kunnen produceren. Israel speelde onder toeziend oog van de CIA een vitale rol bij de ontwikkeling van de kernwapens van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime.

 

Sinds 1992 wordt Iran door Israel en de VS er voortdurend van beschuldigd  dat het op het punt staat kernwapens te verwerven. Er zijn bronnen die melden dat Iran mogelijk een korte periode aan het begin van dit millennium aan de ontwikkeling van kernwapens zou hebben gewerkt. Maar alle deskundigen zijn het erover eens dat er geen tekenen zijn dat Iran aan kernwapens werkt. In ieder geval niet sinds 2003. Toch spelen de vermoedens dat dit zo zou zijn een voorname factor in het Westerse sanctieregime tegen dat land. Al sinds Jimmy Carter voeren alle Amerikaanse presidenten een containmentpolitiek tegen Iran. En na 1992 loopt dat langzamerhand over in een sanctiepolitiek. Als Mohammed Khatami in 1997 verrassend winnaar wordt van de presidentsverkiezingen, verbiedt president Bill Clinton handel te drijven met Iran en te investeren in dat land. Daardoor versterkt hij de Iraanse hardliners die zich verzetten tegen een detente met de VS en heeft hij belangrijk bijgedragen aan het mislukken van Khatami’s agenda voor economische verbeteringen en politieke veranderingen die nodig zijn om het leven van het Iraanse volk te verbeteren. Onder president Barak Obama herhaalt die geschiedenis zich. Enkele dagen voordat Hassan Rouhani werd beëdigd als president van Iran, nam het Huis van Afgevaardigden een wet aan die de sancties tegen Iran op de uitvoer van zijn olie verder versterken. Het pakket maatregelen komt bovenop een hele reeks zeer vergaande sancties tegen Iran, waaronder strenge financiële sancties.   

 

Een groep landen binnen de Europese Unie ziet met het aantreden van Mohammed Khatami kansen om de betrekkingen met Teheran te verbeteren. Duitsland wil opnieuw nucleaire samenwerking beginnen met Iran in ruil voor hun ondertekening en implementatie van het Aanvullend Protocol waarin Iran vrijwillig toestemt in intensievere IAEA-inspecties. Het zou Siemens de mogelijkheid geven om hun project bij Bushehr te voltooien. De reactor werd in de Irak-Iran oorlog door Irak met door Frankrijk geleverde raketten vernietigd. Iran had na de oorlog een Russisch bedrijf gecontracteerd om de reactor af te bouwen, maar was ontevreden over het werk van de Russen. In zes jaar tijd was er nauwelijks vooruitgang geboekt. Clinton blijft echter faliekant tegen de levering van Europese kerntechnologie aan Iran. Uiteindelijk strandt de deal met Iran, doordat Joschka Fischer, die in 1998 de nieuwe buitenlandminister van Duitsland wordt, veel minder positief is over een deal dan zijn voorganger Klaus Kinkel. Iran laat de voltooiing van Bushehr over aan de Russen. De eerste kerncentrale van Iran levert sinds september 2011 stroom.

 

In oktober 2003 erkent Teheran dat het tussen 1988 en 1992 clandestiene experimenten heeft uitgevoerd, waaronder het verrijken van uranium en het scheiden van plutonium, en heeft verzuimd het IAEA daarvan op de hoogte te stellen. Als lid van het NPV is Iran daartoe verplicht. Deze fout komt de Iraanse regering slecht uit. Het is juist bezig om Europese landen uit te nodigen om deel te nemen aan investeringen en de bouw van nieuwe kerncentrales in Iran. Twee maanden later ondertekent Iran vrijwillig het Aanvullend Protocol, waartoe de Verenigde Staten, samen met het IAEA en de VN-Veiligheidsraad, hadden opgeroepen. Maar in februari 2006, als het IAEA het dossier in handen geeft van de VN-Veiligheidsraad, stopt Teheran met het naleven van de maatregel. Teheran verklaart dat het zal overwegen de uitvoering van het Aanvullend Protocol te hervatten als zijn nucleaire dossier wordt terugverwezen naar het IAEA. Iran stelt dat het agentschap de “enige bevoegde autoriteit” is die verantwoordelijk is voor de verificatie van nucleaire waarborgen en dat de Veiligheidsraad zich mengt in werk van het IAEA door de nucleaire kwestie te politiseren. En daar heeft het inderdaad alle schijn van. In 2005 oordeelt het agentschap dat Iran zijn waarborgovereenkomsten met het IAEA niet naleeft. Als Teheran in 2008 alle onderbouwde en rechtmatige zorgen van het IAEA heeft uitgelegd of gecorrigeerd, zoals door het agentschap is bevestigd, werpt het IAEA andere zorgen op over mogelijke militaire dimensies van zijn kernprogramma op basis van buitenlandse inlichtingen. Maar die vallen buiten de wettelijke bevoegdheid van het agentschap, omdat ze duidelijk geen betrekking hebben op het onttrekken van nucleair materiaal voor gebruik in kernwapens. Deze resterende onopgeloste kwesties zijn gebaseerd op ongefundeerde aantijgingen van Westerse inlichtingendiensten en zijn gerelateerd aan nogal dunne beschuldigingen van mogelijke werkzaamheden in Iran meer dan tien jaar geleden. Die trend maakt duidelijk hoezeer het agentschap steeds verder afgedwaald is van haar oorspronkelijke mandaat. Het behoort een apolitieke, technische en onpartijdige controlerende instantie te zijn, en moet niet gezien worden als een politiek bevooroordeelde organisatie of een uitbreiding van westerse inlichtingendiensten. Associated Press meldt dat 80% van ‘het bewijs’ tegen Iran afkomstig is van zijn aartsvijand, de Verenigde Staten. Dat heeft te maken met de financiering van het agentschap. Ongeveer 65% van het budget van het IAEA is afkomstig van de VS en hun bondgenoten, die de directie van het IAEA vooral schatplichtig maakt aan politieke druk van Washington. Hervorming van haar financieringsbronnen is een eerste stap om het vertrouwen in het agentschap te herstellen en alle potentiële belangenconflicten te verwijderen. Zolang het grootste deel van de financiering van het IAEA komt van de VS en hun bondgenoten, blijft het agentschap vatbaar voor vooroordelen en gevoelig voor politisering en belangenconflicten.

 

In de tweede helft van Khatami’s ambtstermijn wordt steeds duidelijker dat Iran streeft naar een eigen kerncyclus om minder afhankelijk te zijn van nucleaire samenwerking met het buitenland. In 2003 kondigt hij aan dat Iran is begonnen met uraniummijnbouw nabij de stad Yazd, met de bouw van installaties voor de productie en verwerking van uranium (Estefan), een proeffabriek voor uraniumverrijking (Natanz), en een proeffabriek voor de productie van kernbrandstof. Onder president Mahmoud Ahmadinejad werkt Iran voortvarend verder aan zijn kernenergieprogramma. Ondertussen wordt de internationale druk op Iran onder aanvoering van de VS steeds groter en de wurgende sancties steeds verstikkender voor het Iraanse volk.

 

Volgens de jongste gegevens van het IAEA (mei 2013) beschikt Iran over 8960 kilogram uranium met een verrijkingsgraad van vijf procent, een niveau dat gebruikelijk is voor kerncentrales. In februari 2010 begint Iran uranium te verrijken tot 19,75%. Dat is de bovengrens van laag verrijkt uranium en is de brandstof die in onderzoeksreactoren wordt gebruikt, zoals in Teheran of de Hoge Flux Reactor in Petten. In mei 2012 heeft Iran 325 kg 19,75% verrijkt uranium geproduceerd. Volstrekt normaal voor een land dat werkt aan de opbouw van een civiele nucleaire infrastructuur. Urenco in Almelo begint in de jaren zeventig ook met een proeffabriek en een demonstratiefabriek voor uraniumverrijking, zoals Iran nu heeft bij Natanz en Qom. Dat dit voor een deel ondergronds plaatsvindt is niet zo vreemd. In 1981 bombardeerde het Israëlische leger de Osirak-reactor in Irak, en sinds 1992 wordt Iran door de VS en Israël stelselmatig bedreigd met een militaire aanval op hun geheel legale kerninstallaties.

 

Het Westen eist onder dwang van nieuwe sancties dat Iran onmiddellijk stopt met uraniumverrijking, omdat ze Iran op basis van vage beschuldigingen ervan verdenken hoog verrijkt uranium te willen maken voor de productie van kernwapens. Het volgende mikpunt zal ongetwijfeld de zwaar water reactor in Arak zijn, die zijn voltooiing nadert. Een gewone kernreactor die stroom levert, maar behalve dat ook een ideale reactor voor de winning van plutonium. Dat is inherent aan civiele nucleaire technologie. Het kan ook voor militaire doeleinden worden gebruikt. India, dat overigens het NPV nooit heeft ondertekend, kreeg dit type reactor in 1956 cadeau van de Canadezen en gebruikte het voor de ontwikkeling van kernwapens.

 

Algemeen wordt aangenomen dat het IAEA de toezichthouder is op de naleving van het NPV. Zo stelt de voormalige adviseur van Obama voor non-proliferatie en wapenbeheersing Robert Einhorn in een recent artikel voor Foreign Policy dat Iran niet moet worden toegestaan ​​om uranium te verrijken, omdat hij vindt dat Iran de verplichtingen van het NPV niet nakomt. Hij zegt: “Wat niet discutabel is, is dat Iran – althans tijdelijk – enig recht op uraniumverrijking (en opwerking van gebruikte splijtstof) heeft verspeeld totdat het overtuigend kan aantonen dat het in overeenstemming handelt met zijn verplichtingen krachtens het NPV”. In reactie hierop stelt prof.dr. Yousaf Butt in The National Interest dat deze zienswijze berust op een wijdverbreid misverstand. “De toezichthoudende rol van het IAEA is heel specifiek beperkt tot een reeks bilaterale verdragen: de integrale waarborgovereenkomsten (Comprehensive Safeguards Agreements) of CSA-overeenkomsten. Er zijn meer dan 140 van dergelijke bilaterale CSA-overeenkomsten, waarbij het ​​IAEA controleert en verslag uitbrengt van de splijtstofboekhouding in verschillende landen. “ [..] “Simpel gezegd, het is niet de taak van het IAEA om het multilaterale NPV af te dwingen. Het agentschap heeft noch het budget noch de mankracht om dat te doen, zelfs als het dat zou willen,” doceert  de wetenschappelijk adviseur van de Federation of American Scientists. “Zelfs als er een handhavingarm zou zijn, is er in het NPV geen bepaling opgenomen voor het automatisch verbeurd verklaren van een kernbrandstofcyclus.” Waarbij Butt doelt op de eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking. Volgens de kernfysicus ontbeert het argument van Einhorn op beide punten een wettelijke grondslag. Als Einhorn’s interpretatie van het NPV typerend is voor het standpunt van de Amerikaanse beleidsmakers, wat Butt vermoedt, betekent dat volgens hem dat dit misverstand aan de wortel ligt van de impasse in de nucleaire onderhandelingen met Iran. Die impasse kan, zo stelt Butt, alleen worden opgelost als alle partijen in het reine komen over wat het NPV is en wat het niet is. Als er een specifiek probleem  bestaat over de naleving van het NPV door een staat dan is volgens Butt het Internationaal Gerechtshof in Den Haag de aangewezen instantie om daarover te oordelen.

 

Ondanks alle holle en ronkende retoriek over Iran en zijn vermeende kernwapenprogramma, komt dit land volgens onafhankelijk proliferatiedeskundigen al zijn verplichtingen krachtens het NPV en de onafhankelijke CSA-overeenkomsten na. Eén van de meest vooraanstaande experts is dr. Hans Blix, voormalig hoofd van het IAEA, die in maart 2013 in Gulf News verklaart dat “Iran, tot nu toe, niet in strijd heeft gehandeld met het NPV” [..] “en er op dit moment geen bewijs is dat suggereert dat Iran kernwapens produceert”. Mohamed ElBaradei, de Nobelprijswinnaar voor de Vrede en van 1997 tot 2009 directeur van het IAEA, zegt dat hij “geen spoor van bewijs” heeft gezien dat Iran een kernbom nastreeft. “Alles wat ik zie is de hype over de dreiging van Iran.” Het NPV en de CSA-overeenkomsten weerspiegelen de compromissen die zijn gedaan om brede naleving te krijgen van deze overeenkomsten. Een strenger proliferatieregime is zeker gewenst, maar dan moet er gewerkt worden aan het tot stand komen van een sterkere  NPV 2.0 met een krachtigere inspectiearm van het IAEA.

 

Het geklungel van het IAEA in de afhandeling van het dossier Iran schaadt de integriteit van de non-proliferatieregime. Als Iran rechtmatig voelt dat er niets positiefs komt uit het NPV – en bovendien dat de Verenigde Staten daadwerkelijk het NPV tegen hen misbruikt – kan dit in Teheran de roep op terugtrekking uit het NPV verhogen. Als het zo ver mocht komen, neemt Iran ongetwijfeld veel sympathiserende landen mee. De 120 landen van Beweging van Niet-Gebonden landen, die ook wel ‘de echte wereldgemeenschap’ wordt genoemd, zijn het eens met Iran in zijn geschil met het IAEA en de Verenigde Staten. Als serieuze hervormingen bij het agentschap uitblijven, lijkt de voorspelling van Samuel Huntington over de toekomst van de wapenbeheersing, in The Class of Civilizations, elke dag een stap dichterbij te komen: “In het post-Koude Oorlog tijdperk is de primaire doelstelling van wapenbeheersing te voorkomen dat niet-westerse samenlevingen, die westerse belangen zouden kunnen bedreigen, militaire slagkracht ontwikkelen [..] Het Westen propageert non-proliferatie als een universele norm en non-proliferatieverdragen en inspecties als middel voor het realiseren van die norm [..] de aandacht van het Westen richt zich uiteraard op naties die daadwerkelijk of potentieel vijandig staan tegenover het Westen.”

Een nieuw weblog over kernenergie en kernproliferatie

De kennis over kernenergie reikt meestal niet verder dan het bestaan van kerncentrales, kernrampen (Tsjernobyl en Fukushima) en kernafval. Daardoor heeft men vaak geen besef van de andere potentiële gevaren en risico’s die aan kernenergie kleven. Eén van die kwesties is kernproliferatie. Dat wil zeggen verspreiding van civiele kerntechnologie en splijtstoffen die – behalve voor het opwekken van kernenergie – aangewend kunnen worden voor het maken van kernwapens. Om dat laatste te voorkomen moeten landen met een kernenergieprogramma zich schikken in een non-proliferatieregime. Dat regime steunt op het multilaterale non-proliferatieverdrag (NPV) en de bilaterale integrale waarborgovereenkomsten, waarin de controlerende taak van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) is vastgelegd.

Al ruim twintig jaar volg ik de ontwikkelingen op het gebied van kernenergie en kernproliferatie en daarbij valt mij vaak op dat de berichtgeving over deze materie in de mainstream media niet altijd zorgvuldig is. Dat is vooral zichtbaar in de wonderlijke en vaak sterk propagandistisch gekleurde berichtgeving over de civiele kerninstallaties van Iran. Neem bijvoorbeeld dit bericht van de NOS: Iran bezit meer uraniumcentrifuges, dat wereldwijd door het persbureau Reuters is verspreid. Het bericht van de NOS begint met: “Iran heeft 18.000 centrifuges waar uranium mee verrijkt kan worden.” Ik vraag mij af: vanwaar dat aantal van 18.000? Weet u hoeveel ultracentrifuges er staan in de uraniumverrijkingsfabriek van het bedrijf Urenco in Almelo? Waarschijnlijk niet, want het bedrijf maakt daar nooit melding van. Bij een leek wekt het aantal van 18.000 de indruk dat Iran over gigantische fabrieken beschikt voor het verrijken van uranium. Die suggestie wordt in het bericht verder versterkt door de zinnen: “Het was tot nu toe onduidelijk hoeveel uraniumcentrifuges Iran precies bezit en hoeveel er actief zijn. Het aantal van 18.000 machines ligt in ieder geval een stuk hoger dan de eerder genoemde aantallen.” Dan rijst bij mij de vraag: waarom wordt hier niet objectief vastgesteld dat een aantal van 18.000 ultracentrifuges doodnormaal is voor een land dat werkt aan de opbouw van zijn civiele kernenergieprogramma? Nee, die mededeling komt aan het slot van het NOS bericht voor rekening van de Iraanse regering, waardoor het suggestieve karakter van het bericht nog verder wordt versterkt. Vooral, omdat in de zin daarvoor wordt gemeld: “De VS en andere Westerse landen vrezen dat Iran de uraniumcentrifuges gebruikt om kernwapens te ontwikkelen.” Deze zin wordt steevast gemeld in de berichtgeving over het kernenergieprogramma van Iran, waarbij nooit wordt uitgelegd waarop die informatie is gebaseerd. Natuurlijk valt het nooit uit te sluiten dat Iran ooit splijtstof gaat produceren voor kernwapens, maar dat geldt voor ieder land dat een verrijkingsfabriek bezit. Er is op dit moment echter geen enkele aanleiding om aan te nemen dat Iran streeft naar de productie van hoog verrijkt uranium. Meer hierover in mijn onderstaande artikel: ‘De eis dat Iran moet stoppen met uraniumverrijking is onrechtmatig’.

In kringen van de kernindustrie spreekt men nooit over aantallen ultracentrifuges, maar over de productiecapaciteit van die ultracentrifuges, en die wordt uitgedrukt in Scheidingsarbeidseenheden (Separative Work Units, afgekort SWU). Volgens het Instituut voor Wetenschap en Internationale Veiligheid (ISIS) in Washington D.C. beschikt Iran eind 2012 over een productiecapaciteit van bijna 9 ton SWU/jaar. Die capaciteit is verdeeld over een proeffabriek bij Natanz en een demonstratiefabriek bij Qom, vergelijkbaar met wat Nederland in de jaren zeventig had aan verrijkingscapaciteit in Almelo. De huidige productiecapaciteit van Urenco in Almelo is ruim 4950 ton SWU/jaar, dus 550 maal hoger dan die van Iran. Net als Nederland heeft Iran als ondertekenaar van het NPV recht op het verrijken van uranium. Maar dat wordt zelden uitgelegd in de mainstream media. De Westerse media en internet staan bol met kolderieke of op zijn best suggestieve verhalen, die lichtjaren verwijderd zijn van de werkelijke situatie.  

Doordat het Westen Iran als vijandig beschouwd, gaat alle aandacht van de Westerse media uit naar Iran, terwijl er uit dat land feitelijk geen nieuws valt te melden. Iran komt al zijn verplichtingen krachtens het NPV na. Sterker, het is volgens het Washington Institute for Near East Policy het enige land in het Midden-Oosten die partij is bij alle non-proliferatie overeenkomsten. Over zaken die wel relevant zijn wordt in alle toonaarden gezwegen. Bijvoorbeeld over de zorgelijke ontwikkelingen rond kernproliferatie in Zuid-Azië, onder aansturing van de Verenigde Staten. Kernmacht India heeft het NPV en het verdrag tegen kernproeven (CTBT) nooit ondertekend en verkeert bovendien in staat van vijandschap met buurland en kernmacht Pakistan. Dat heeft niet kunnen verhinderen dat onder diplomatieke druk van de Verenigde Staten de Nuclear Suppliers Group (NSG) India in 2008 selectieve vrijstelling verleende voor nucleaire samenwerking en de aanschaf van civiele kerntechnologie. Dat baande in datzelfde jaar de weg voor een nucleaire overeenkomst tussen de Verenigde Staten en India

art.bush.singh.afp.gi

en lucratieve nucleaire deals van de VS, Frankrijk en Rusland met India voor de levering van kernreactoren en ander nucleair materieel (zie hierover in mijn onderstaande artikel: Partnerschap India-Japan maakt non-proliferatieverdrag tot een farce). De vrije toegang tot nucleair materieel geeft India de mogelijkheid zijn kernwapenarsenaal te moderniseren. Het cynische hiervan is dat de NSG juist in het leven werd geroepen na de eerste kernproeven van India in 1974 om proliferatie van splijtstoffen en andere benodigdheden voor kernwapens tegen te gaan. Maar sinds George Walker Bush wordt India een “verantwoordelijke” kernmacht genoemd. Als niet-ondertekenaar van het NPV kan India dus rekenen op civiele nucleaire technologie, die Iran – onder druk van de VS – stelselmatig wordt onthouden, terwijl Iran als ondertekenaar van het NPV daar, zoals gemeld, recht op heeft.

Het heeft er alle schijn van dat het vermeende kernwapenprogramma van Iran een voorwendsel is om Iran te kunnen aanvallen. Al geruime tijd circuleren er in Washington plannen om Iran aan te vallen, waarbij zelfs de nucleaire optie niet wordt uitgesloten. Seymour Hersh heeft daarover uitgebreid bericht in The New Yorker. Niet alleen ten tijde van het presidentschap van George W. Bush, maar ook onder het bewind van diens opvolger Barak Obama. Het lijkt erop dat de VS weer controle willen krijgen over de Iraanse olievelden, die ze na de islamitische revolutie van 1979 verloren. Het is niet ondenkbaar dat de huidige Amerikaanse plannen voor een aanval op Syrië passen in een scenario voor een toekomstige aanval op Iran. De vermeende gifgasaanval door de Syrische dictator Bashar al-Assad is een uitgelezen kans om Syrië en Hezbollah, de vrienden van Iran, een gevoelige slag toe te brengen.

De militaire tak van Hezbollah is de enige macht in de regio die voor Israel een bedreiging vormt. De Westerse media hebben al verscheidene malen bericht dat er bewijzen zijn dat Assad achter de mogelijke gifgasaanval zit. Er zijn heel wat opiniemakers en commentatoren die zeggen zeker te weten dat Assad de opdrachtgever is geweest, maar tot op heden heeft niemand ook maar een spoor van bewijs daarvoor kunnen leveren.

In de werkelijke wereld zet niet Iran het non-proliferatieregime onder druk, maar de Verenigde Staten. Dat wordt duidelijk zichtbaar in de manier hoe de VS samen met andere kernwapenstaten bezig is India wit te wassen tot een ‘erkende’ kernwapenstaat. In het kader van nucleaire handelsbelangen moet het huidige non-proliferatieregime wijken. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de VS het NPV tegen Iran misbruikt. In dit geval vanwege geopolitieke en strategische belangen in het Midden-Oosten. Ik vrees dat er niet veel mensen zijn die beseffen wat de rampzalige gevolgen hiervan zijn, die zich momenteel – met betrekking tot India – al beginnen af te tekenen in Zuid-Azië. Voor mij een reden om een weblog te beginnen over kernenergie en kernproliferatie. Ik wil de lezers van dit weblog informeren over de feiten, omdat de mainstream media helaas nalaten dat te doen. 

Het gevaar van kernproliferatie is één van de redenen waarom ik een tegenstander ben van kernenergie. Ik heb veel kritiek op de huidige NPV, omdat dit verdrag eenvoudigweg niet toereikend is om kernproliferatie effectief te bestrijden, maar het is wel het enige multilaterale verdrag dat we hebben op het gebied van kernenergie en kernproliferatie. Als een select gezelschap van kernwapenstaten dit verdrag – dat ze, overigens, zelf niet naleven – naar hun hand zetten, dan is het resultaat daarvan dat de “The Clash of Civilizations” van wijlen Samuel P. Huntington steeds meer werkelijkheid begint te worden. De rake wijsheden die deze Amerikaanse politieke wetenschapper in dit werk debiteert over kernproliferatie lijken zeer van toepassing op de geopolitieke verschuivingen die zich momenteel in de wereld voltrekken.

De stichting Laka levert met zijn websites www.laka.org en www.kernenergieinnederland.nlgedegen informatie en over kernenergie in het algemeen en over de situatie in Nederland en volgt de actuele ontwikkelingen hierover op de voet. Mijn weblog over kernenergie en kernproliferatie is hierop een aanvulling. Laka werkt met een handjevol vrijwilligers die het documentatiecentrum draaiende houden. Als u ons werk wilt steunen kunt u op www.laka.orgonline een bijdrage storten.

Om enig begrip te krijgen van wat het gebruik van civiele kerntechnologie te maken heeft met kernproliferatie, geef ik hieronder een kort overzicht van de civiele kernketen. 

Kernenergie nader verklaard

‘Kernenergie’ is veel meer dan alleen een kerncentrale. Een kerncentrale maakt deel uit van een keten van fysische en chemische processen waarbij een breed scala aan kerntechnologieën aan te pas komt. De kernketen begint met de winning van uranium uit ertsen. Het gewonnen ‘natuurlijk uranium’ wordt bewerkt tot een concentraat (‘yellowcake’) dat vervolgens wordt omgezet in een gasvormige uraniumverbinding (‘hex’) die als grondstof dient voor een uraniumverrijkingsfabriek. In deze fabriek wordt het splijtbare uranium in het ‘natuurlijk uranium’ verrijkt van 0,7% tot 3 à 5% verrijkt uranium (laag verrijkt uranium). Het verrijkte uranium uit de uraniumverrijkingsfabriek wordt weer omgezet in vaste uraniumverbinding, waarna het in een splijtstoffabriek wordt verwerkt tot kernbrandstof voor een kerncentrale. Na gebruik in een kerncentrale wordt de hoogradioactieve gebruikte kernbrandstof (of splijtstofstaven) opgeslagen in een koelbassin bij de kerncentrale. Als de hoog radioactieve verbrande splijtstofstaven voldoende zijn afgekoeld worden ze opgeslagen in een interim-opslagplaats (nergens ter wereld is eindberging gerealiseerd) of gaat het naar een opwerkingsfabriek, waarbij het plutonium wordt gescheiden van het resterende deel van de gebruikte kernbrandstof. Het plutonium kan worden gebruikt voor het maken van een ander soort kernbrandstof (MOX-brandstof).

fuel-cycle_closed

Alle stappen in deze keten gaan gepaard met de productie van radioactief afval. Ook zijn er talrijke kerntransporten nodig om al die verschillende stappen in de kernketen met elkaar te verbinden. De risico’s die dat met zich meebrengt, hangt af van de aard van het materiaal. Dat geldt evenzo voor de fabrieken waar met uraniumverbindingen of andere kernstoffen wordt gewerkt. Kernongevallen trekken al snel de aandacht van de media, maar er is weinig aandacht voor wat er zoal wordt geloosd in het reguliere bedrijf van kerninstallaties. Dat begint al met het afval van de uraniummijnbouw. Zo belandde radioactief afval van uraniummijnen in Niger en Gabon van het Franse AREVA, die dit bedrijf vrijgaf aan het publieke domein, in de bouwmaterialen van woonwijken in die landen. Dit is het afval van de productie van het uranium waarmee de ‘schone’ kerncentrales in de ‘beschaafde’ landen worden gevoed.

Kernenergie is na de Tweede Wereldoorlog ontstaan als bijproduct van de fabricage van kernwapens. Eén van de splijtstoffen die voor kernwapens wordt gebruikt is hoog verrijkt uranium. Meestal betreft dat het splijtbare isotoop uranium-235 met een verrijkingsgraad van boven de 90 procent. Net als bij kernbrandstof vindt deze productie plaats in een verrijkingsfabriek. De militaire kernketen is – op de fabricage van kernwapens na – volkomen identiek met de civiele kernketen. Naast uraniumverrijking behoort opwerking van gebruikte kernbrandstof tot de meest proliferatiegevoelige onderdelen van de kernketen. In een uraniumverrijkingsfabriek, zoals die van Urenco in Almelo, kan ook hoog verrijkt uranium worden gemaakt dat geschikt is voor kernwapens. Evenzo kan het plutonium dat gescheiden wordt in een opwerkingsfabriek worden gebruikt voor kernwapens. Hierin ligt besloten dat in principe ieder land dat een verrijkingsfabriek of/en een opwerkingsfabriek bezit de schijn van verdenking op zich kan laden het bezit van kernwapens na te streven.

Henk van der Keur